Kom je van beneden de grote rivieren is dit blogverhaal vermoedelijk tegen dovemansoren gericht. Immers, de winkelketen waar ik het nu vol nostalgische gevoelens over heb kwam vooral voort uit de hoek van de grote ondernemers die klein begonnen, de Zaanstreek en alles wat daar boven verkeerde aan plaatsen en dorpen. Blokker, Albert Heijn, maar zeker ook Simon de Wit waren kerels die wisten wat ze wilden en dat uitrolden over (een deel van) het land. Simon de Wit startte ooit in Wormerveer waar hij kaas verkocht vanuit zijn eigen woonadres, later in een piepklein winkeltje. Dat werd al snel een concept en rond de eeuwwisseling bezat hij al filialen van zijn bedrijf in Zaandam en Amsterdam. Opvolgers voor zijn nog bescheiden keten kwamen veelal uit eigen familiekring, vaak een formule voor uitbouw en succes.
Simon de Wit zocht de onderkant van de markt. In 1937 had men al 100 filialen en werd die naam toch synoniem met een soort van supermarkt zoals we die later veel moderner en groter overal zouden tegen gaan komen. Concurrentie kwam van De Gruyter, toch iets hoger gepositioneerd en Albert Heyn. Simon de Wit werkte na de oorlog door met de formule die haar groot had gemaakt en bleek niet blind voor ontwikkelingen elders. Zo bedacht men een formule die je nu nog bij Lidl en Aldi aan kunt treffen, de verkoop van non-food-artikelen die via een provisieformule werden aangeboden door andere bedrijven dan de supermarkteigenaar zelf. Zo kwamen Zeeman, Blokker, Bakker Tapijt en wat radiozaken indertijd aan de extra omzet en handel.
Daarmee hield Simon de Wit haar risico klein en haar benodigde kapitaal in eigen huis. Toch bleek het niet genoeg om deze keten te redden van de ondergang. Want, wat Albert Heijn wel deed en Simon de Wit niet, was doorgroeien naar totaal nieuwe supermarktconcepten, afgekeken uit de Verenigde Staten. Simon de Wit bleef geloven in kleinschalig en vers, waar bij Albert Heijn de zelfbediening en voorverpakt al werden doorgevoerd. Een grote tegenslag voor het bedrijf kwam toen het centrale magazijn van de winkelketen in Zaandam anno 1970 door een grote brand werd verwoest. Het werd de nekslag voor de onderneming.
Albert Heijn zag er wel brood in om de hele toestand over te nemen. Daarbij kreeg men niet alleen de beschikking over een hele reeks nieuwe vestigingen maar ook over de distributieformule van Simon de Wit die bepaald dagen efficienter was dan die van de overnamepartner. Een tijdlang hield men nog wat Simon-filialen open, maar al snel werden ook die geintegreerd in de keten van A.H. of afgestoten. In dezelfde periode ging ook De Gruyter onder water en was het Nederlandse landschap op winkelgebied enorm veranderd.
Een winkellandschap dat tot dan nog bijna provinciaal aan had gedaan. Ik herinner me uit de jeugd nog wel dat bij ons om de hoek zo’n winkel zat van Simon de Wit, maar ook een van De Gruyter. En dat onze ouders daar selectief (op prijs of aanbieding)winkelden. Later werden dat AH-winkels en hadden alle losse ambachtelijke zaken in onze woonstraat afgedaan als beoogd koopadres. De bakker, kruidenier (Sperwer), slager, melkman, allemaal legden ze het loodje. Het was klaar. De concurrentie te groot en aantrekkelijkheid van prijs/kwaliteit toch als een magneet. Siimon de Wit verdween. Net als in onze dagen V en D en het recent geintroduceerde maar nu al mislukte Canadese warenhuis Hudsons Bay. En we kennen nu de Action. En raadt eens waar die vandaan komen? Juist! Ondernemers daar in Noord-Holland hoor!! (Beelden komen van internet/Wikipedia)

Wat dat toch is, het gevoel dat je echt bij een stad hoort? Geen idee. Maar veel echte en geboren Amsterdammers verliezen dat gevoel nooit. Zelfs niet als ze in pakweg Denemarken wonen of Nieuw-Zeeland. Het gevoel dat je krijgt van verhalen of liedjes die over jouw stad gaan, het maakt ons Mokummers al snel week en gevoelig voor tranen. Westertoren, Dam, de grachten, de Jordaan, de vroegere haven. De geschiedenis van de stad is oud. Het verhaal over de Tweede Wereldoorlog die deze stad zo hard trof. Je krijgt het mee vanuit de ouders, de genen, maar ook je eigen ervaringen doen er natuurlijk toe. Een stad is geen dorp en een dorp wordt zelden een stad. Al is dat in het geval van veel grote steden ooit wel eens zo geweest. Meestal niet veel meer dan ooit een vestiging van wat handlieden of boeren aan een rivier, kust of twee huizen langs een doorgaande weg.
Zo verging het Amsterdam ook. Men dankte de ontstaansgeschiedenis aan vissers die vanuit het iets verderop aan de rivier de Amstel gelegen dorpje Ouderkerk afzakten tot de toen nog aardig in het Noord-Hollandse landschap spoelende Zuiderzee. Daarna bleven vissen en soms iets agrarisch opstartten. Zo ontstond een veelal gelovige gemeenschap die telkens verder uitbouwde. De waterwegen bleken prima geschikt voor vervoer van handel en personen en al snel bouwde de gemeenschap die nu Amsterdam heet zich uit. Tot de stad die het nu is. Bijna 1 miljoen zielen groot, met een geweldig vliegveld om de hoek, een aardige industrie en haven, werk voor velen en ooit benoemd tot hoofdstad. Zeer terecht overigens. Amsterdam speelde in de geschiedenis een belangrijke rol. Veel bestuurders en chique zakenmensen kwamen uit deze hoek vandaan. Maar Amsterdam is ook een stad van anarchisme en oproer.
In het verleden diverse malen bewezen dat de bevolking niet houdt van knechting of onderdrukking. Dan komt men in opstand en dat ging of gaat er vaak heftig aan toe. In de recente geschiedenis zijn o.a. de studentenopstand uit 1968 bekend, maar ook de latere krakersopstanden. De relletjes die door linkse lieden werden opgebouwd tot een stedelijke revolutie rond de kroning van Beatrix, het was allemaal mogelijk in Amsterdam. Ook de ontruiming van op zichzelf prima woningen voor de metro-aanleg in de jaren zeventig leidde tot zware inzet van politie en andere overheidsdienaren toen de bevolking zich niet liet weghalen uit die huizen. Amsterdam is daardoor alleen al een bastion van zelfverzekerdheid. Daar doet geen Groenlinkse egalisatie of Dedain66-achtige bestuurslaag iets aan. Al is een deel van de oorspronkelijke bevolking dan intussen verdwenen. Verhuisd naar plaatsen rondom de hoofdstad, als Purmerend, Almere, Hoofddorp.

Het was aan een lieve vriendin te danken dat we met een stukje korting konden gaan dineren bij dit erg aardig gelegen restaurant in het Amsterdamse Centraal Station. Waar vroeger vermoedelijk de eerste klas treinreizigers aan de sherry zaten voor ze vertrokken heeft een exploitant nu een sfeervol en uitgebreide horeca-gelegenheid ingericht, naast het hoofdspoor van Amsterdam naar Utrecht en verder. Omdat we die dag in de stad een belangrijk dokument hadden ondertekend met een feestelijk randje, de aanleiding beschreef ik al eerder, besloten we om dit cadeau gegeven stukje korting om te zetten in eetbare waar. In dat restaurant met die veel zeggende naam 1e Klas. Zoals beschreven is de lokatie de naam meer dan waard.
Al is de akoestiek wel een dingetje. Met veel gasten, en die zaten er op die bewuste dinsdagmiddag in juni jl., was er flink veel geluid te horen en een gesprek op bij de naam van de lokatie behorend niveau nauwelijks mogelijk. Daardoor was het lastig met de man te spreken die ons aan tafel bediende. Een wat oudere heer die ook nog een niet Nederlandse achtergrond had. Soms moesten wel wel even vragen wat hij zei, maar het ging gereserveerd vriendelijk toe in die communicatie. De bestelde huiswijn, Italiaans, smaakte zeer goed. Net als de voorgerechten. Het is niet al te goedkoop allemaal, maar je krijgt er wel een stukje kwaliteit voor terug. Dat gold ook voor het hoofdgerecht. Zalig, warm en niet voorspelbaar met een bak friet als garnering.
Nee, hier kookt men echt op een 1e klasse-niveau. Wel jammer dat salades als toevoeging er toch uitzien alsof ze van heel ver per trein zijn aangevoerd. En met heel weinig fantasie bereid. Dat doen ze bijvoorbeeld in Duitsland in een eerste de beste schnitzeltent nog beter. Maar goed. We aten op ons gemakje tussen alle andere gasten en keken rond naar hoe er werd gewerkt door de staf om het alle gasten naar de zin te maken. Af en toe komen er hele groepen toeristen binnen die vooraf gereserveerd hebben en in hoog tempo worden bediend. Meer dan efficient. Verdient een pluim. Dat verdiende onze tafelheer wat minder.
De wijn en het lekkere eten maakten ons gewillig voor een leuke fooi. Maar een dankjewel kon er niet vanaf. Of wellicht mompelde hij dat in de ruimte en konden we het niet verstaan. Hoe dan ook, een cijfer 9 heeft 1e Klas wel verdiend. En dat komt dan vooral door outillage, geweldig eten, prachtige wijn, de dames en heren die ons de gerechten of drankjes brachten. Niet de vaste tafelober, of die salade. Zou men dat voor elkaar brengen was er een 10 uitgerold. Ondanks het geluidsvolume. Sfeervolle zaak. Aanrader! En met zo’n kortingvoucher nog te betalen ook. (Beelden: Yellowbird)
Kom er nu maar eens om. Kinderen die consequent buiten spelen. Ondenkbaar zo lijkt het wel eens. Was in mijn jonge jaren wel anders. Wij leefden min of meer op straat. Logisch want je zat een deel van de week opgesloten in een strenge katholieke school of een stringent regime thuis. Orde moest er zijn en ledigheid was het kenmerk van de duivel. Maar buiten was alles vrij en los en kon de fantasie haar werk doen. Zo waren wij als jongens van die Amsterdamse straat veel bezig met gezamenlijke spelletjes. Of het nu oorlogje, naspelen van de Olympische spelen, schieten met pijltjes of slagbal met rondjes betrof. Altijd buiten. Zowel na school tot het eten klaar stond, als daarna. TV speelde nog nauwelijks een rol. Wat we om ons heen zagen was voldoende inspiratiebron. Ik had het ‘geluk’ dat in die straat een aantal grote autobedrijven te vinden was. Kon toen nog in dat deel van de stad, waar het ook nog wemelde van de mkb-ers. Die lui reden met trucks en bestelauto’s door onze straat heen en weer en dat gaf een aparte impuls aan een spel waar we als 11-13-jarigen best gek op waren.
Het op de stoeptegels krijten van hele wegen en steden en daar dan met je miniatuurauto’s overheen rijden. Dinky Toys was in die jaren een bekende fabrikant van dat spul en als je geluk had kreeg je er wel eens een voor de verjaardag. En dan combineerden we samen die vloten voertuigen tot een nabootsing van het toen actuele verkeer. Ik weet nog goed dat ik bij elke Dinky-Toys truck die ik dan eens per jaar als cadeau ontving altijd weer te horen kreeg dat ik er niet mee naar buiten mocht. Logisch, want zo’n model kostte een rib uit het familielijf. Op mijn achtste een Brits busmodel van de BOAC. waarmee ik dan alsnog hele routes reed op straat. Op mijn 11e kreeg ik de zo lang begeerde Dinky Transporter met Bedford trekker. Daarmee kon je dan vier (Britse)personenwagens vervoeren. Zo’n Bedford kostte indertijd 11 gulden. Dus moest ik heel voorzichtig mee doen en ook lang als het even mocht…
Ook een grote Leyland Octopustruck met aanhanger werd zo mijn deel. Nou…ze deden al snel dienst op de straatstenen en liepen daardoor uiteraard links en rechts toch wat lakschade op. Jammer, maar helaas. Je speelde er zo voorzichtig mogelijk mee, maar die Leyland moest ook zand en stenen vervoeren…. Niet bevorderlijk, al bleef de basis-constructie gewoon onaangetast. Toen ik wat later in mijn leven overstapte naar de wereld van de luchtvaart en me vooral interesseerde voor alles wat vliegen kon kwamen de Dinky’s in een doos te staan en bleven daar tot er in de familie een opvolger gevonden was die er mee kon spelen.
Liefst niet buiten uiteraard want….. Twee generaties na mij vermaakten zich alsnog met de Britse voertuigen op schaal. Ergens in de jaren tachtig kwamen ze terug bij mij. En werden gerenoveerd. Mooi gemaaklt en toonbaar. Gek genoeg met nog steeds de originele bandjes. Dat was een wonder maar ook een teken voor hoe sterk die miniatuurwagens van toen werden gemaakt. Al weer decennia lang staan ze te pronken in mijn bescheiden maar qua vloot wel wat gegroeide miniatuurmuseum. Met al die herinneringen van vroeger gekoppeld aan die fameuze naam Dinky Toys. Kom daar nu nog maar eens om. Het bedrijf zelf ging overigens eind jaren zeventig financieel onder water toen jongelui uit die generatie liever achter een spelcomputer zaten dan speelden met miniatuuur-auto’s. Was een teken aan de wand. Niet veel veranderd….Ik wel! (foto’s: Yellowbird collectie)
Terwijl ik dus in mijn straatje nog steeds plezierig woon zijn er wel wat kanttekeningen te maken rond de ontwikkelingen in de buurt. Toen wij hier kwamen wonen, nu alweer zo’n 25 jaar geleden, leefden hier vooral wat oudere lieden. Rust was kenmerk. Is dat veranderd? Nou…wel een beetje. Verjonging vond in die jaren plaats, veel yuppen kwamen onze wijk in en dat zie je niet alleen aan de huizen (je moet zoeken naar originele ramen en deuren bijboorbeeld) maar zeker ook aan de gebruikte auto’s. Veel van die nieuwkomers houden er een kleine vloot voertuigen op na. Soms heeft men twee of drie auto’s en ook nog een reeks scooters. Het moderne leven vraagt er kennelijk om. En het succes van de hoofdbewoners maakt ook dat de eerste auto van zo’n gezin meteen groot en stevig moet zijn. Ik heb de strekkende meters in lengte, breedte en hoogte flink zien groeien door de jaren heen. Een SUV moet het zijn of een crossover. Wagens die natuurlijk veel ruimte bieden, maar zeker ook niet te zuinig zijn en qua MRB en BPM het nodige mogen kosten. Kennelijk maakt het allemaal niks uit.
Opvallend, veel van die auto’s staan soms dagen stil op dezelfde plek omdat men voor het werk per (prima) Openbaar Vervoer forenst. Of het moet zo zijn dat men met die grote ‘bak’ niet durft te rijden. Want als ik zie hoe er soms mee wordt ingeparkeerd….treurig! Gebrek aan goede rijopleidingen of gewoon geen talent om met zo’n enorme mastodont te rijden? Er zijn altijd uitzonderingen. Expats vinden deze buurt ook leuk en een gezin dat tot die groep behoort rijdt in een enorme Toyota. Echt een soort Hummer. De vrouw van het gezin komt als ze tegenover me staat wellicht tot mijn borstniveau als zij zelf naaldhakken draagt.
Maar die pittige tante klimt in die enorme Japanner van haar en rijdt er mee of ze een dwergformaat Daewoo Matiz bestuurt. Aan de andere kant van de straat het tegenovergestelde. Mensen die zo nodig een soort rijdende zeecontainer moesten kopen, in de vorm van een Zweedse SUV waar je zowat met een ladder in moet stappen. Man en vrouw rijden er bepaald niet behendig mee en inparkeren lukt slechts als er banden of wielen op de trottoirs terecht komen. Hun buren kochten een enorme Ford (voorheen een meer bescheiden Skoda Fabia) en daar hetzelfde beeld. Als ze al met die bak onderweg gaan is in/uitparkeren voor zowel man als vrouw kennelijk een probleem. Het liefst hebben ze 30 meter ruimte om zich heen voor ze die auto netjes van of op zijn plek krijgen. Kortom, er wordt hier wat afgeleden in de buurt met die ego-auto’s. Gelukkig hebben ze allemaal de fiets (al dan niet van het bakfietsmodel) of de scooter. Waarmee steevast tegen de richting van de eenkantopstraat wordt gereden. Dat het altijd goed is gegaan is mij een raadsel. Nou ja, ik heb weer even een beeld gegeven van onze woonstraat. Waar het heel leuk leven is, maar waar je soms ook met vraagtekens gedrag van anderen opneemt…Want lachen om het kleine leed van die anderen ben ik nog niet verleerd…… (Foto’s: Yellowbird archief)

