In mijn herinnering lijkt het iets van honderd jaar geleden dat ik in een reguliere rondvaartboot een tochtje over de Amsterdamse grachten maakte. Niet echt waar natuurlijk want in 1998 nog maar nam ik Tsjechische en Duitse zakenrelaties juist daarvoor mee aan boord van zo’n boot, inclusief hapje en drankje. Maar hoe dan ook, het was er weer eens tijd voor en dus togen we met onze Zuid-Hollandse vriendjes naar de wateren voor het Centraal Station alwaar we aan boord stapten van een boot van Rederij Lovers voor een alleszins de moeite waard zijnde rondvaart. Prachtig om te zien hoe je vanaf het water de fraaie panden kunt bekijken, de schitterende Westertoren, de Jordaan, de woonschepen, kortom, alles waar Amsterdam zo rijk aan is.
In die boot tegenwoordig een audiosysteem met bijgeleverde oordopjes waarmee je een digitale gids aangeboden krijgt die in alle denkbare talen (denk aan Jiddisch, Chinees, Japans, Afghaans etc) maar ook in het Nederlands uitleg geeft rond wat je zoal ziet. Dat mijn lieve polderzus Thamara liever naar die digitale stem dan naar de mijne, toch geboren en getogen in deze stad, luisterde nam ik op de koop toe. Net als de regen die af en toe ons deel was. Jammer wel dat fotograferen in een dichte rondvaarboot door de logistiek van banken en tafels een beetje lastig is.
Wil je echt goede plaatjes schieten moet je naar het open achterdek, maar dat hadden veel van de internationale passagiers ook al bedacht. Kortom, dat was lastiger dan verwacht. Neemt niet weg dat het een waar genoegen was. Een uur lang over grachten en IJ varen en nog een keer onderbouwd krijgen waarom Amsterdam zo’n mooie stad is. Wat je wel ziet is dat ook op het water liberalisering van de rondvaartmarkt heeft toegeslagen. Er varen diverse grote bedrijven met de meer normale grote boten, maar verder stikt het ook van de open of half gesloten sloepen met mensen, maar ook salonbootjes en zo meer. Allemaal gericht op tochten met toeristen die grif de vaartprijs van 15-25 p.p. euro betalen. En dan genieten van wat ze zien. Je snapt wel dat deze mensen hier willen varen. Het was in ieder geval een heerlijk tochtje en de sfeer lijkt op het water zelfs nog positiever dan op straat. Kortom, ben je in Amsterdam, pak eens zo’n boot en geniet. Ga niet te laat aan boord, want juist in de middag is het extra druk. (c)Beelden Meninggever!

Wat dat toch is, het gevoel dat je echt bij een stad hoort? Geen idee. Maar veel echte en geboren Amsterdammers verliezen dat gevoel nooit. Zelfs niet als ze in pakweg Denemarken wonen of Nieuw-Zeeland. Het gevoel dat je krijgt van verhalen of liedjes die over jouw stad gaan, het maakt ons Mokummers al snel week en gevoelig voor tranen. Westertoren, Dam, de grachten, de Jordaan, de vroegere haven. De geschiedenis van de stad is oud. Het verhaal over de Tweede Wereldoorlog die deze stad zo hard trof. Je krijgt het mee vanuit de ouders, de genen, maar ook je eigen ervaringen doen er natuurlijk toe. Een stad is geen dorp en een dorp wordt zelden een stad. Al is dat in het geval van veel grote steden ooit wel eens zo geweest. Meestal niet veel meer dan ooit een vestiging van wat handlieden of boeren aan een rivier, kust of twee huizen langs een doorgaande weg.
Zo verging het Amsterdam ook. Men dankte de ontstaansgeschiedenis aan vissers die vanuit het iets verderop aan de rivier de Amstel gelegen dorpje Ouderkerk afzakten tot de toen nog aardig in het Noord-Hollandse landschap spoelende Zuiderzee. Daarna bleven vissen en soms iets agrarisch opstartten. Zo ontstond een veelal gelovige gemeenschap die telkens verder uitbouwde. De waterwegen bleken prima geschikt voor vervoer van handel en personen en al snel bouwde de gemeenschap die nu Amsterdam heet zich uit. Tot de stad die het nu is. Bijna 1 miljoen zielen groot, met een geweldig vliegveld om de hoek, een aardige industrie en haven, werk voor velen en ooit benoemd tot hoofdstad. Zeer terecht overigens. Amsterdam speelde in de geschiedenis een belangrijke rol. Veel bestuurders en chique zakenmensen kwamen uit deze hoek vandaan. Maar Amsterdam is ook een stad van anarchisme en oproer.
In het verleden diverse malen bewezen dat de bevolking niet houdt van knechting of onderdrukking. Dan komt men in opstand en dat ging of gaat er vaak heftig aan toe. In de recente geschiedenis zijn o.a. de studentenopstand uit 1968 bekend, maar ook de latere krakersopstanden. De relletjes die door linkse lieden werden opgebouwd tot een stedelijke revolutie rond de kroning van Beatrix, het was allemaal mogelijk in Amsterdam. Ook de ontruiming van op zichzelf prima woningen voor de metro-aanleg in de jaren zeventig leidde tot zware inzet van politie en andere overheidsdienaren toen de bevolking zich niet liet weghalen uit die huizen. Amsterdam is daardoor alleen al een bastion van zelfverzekerdheid. Daar doet geen Groenlinkse egalisatie of Dedain66-achtige bestuurslaag iets aan. Al is een deel van de oorspronkelijke bevolking dan intussen verdwenen. Verhuisd naar plaatsen rondom de hoofdstad, als Purmerend, Almere, Hoofddorp.

Het was aan een lieve vriendin te danken dat we met een stukje korting konden gaan dineren bij dit erg aardig gelegen restaurant in het Amsterdamse Centraal Station. Waar vroeger vermoedelijk de eerste klas treinreizigers aan de sherry zaten voor ze vertrokken heeft een exploitant nu een sfeervol en uitgebreide horeca-gelegenheid ingericht, naast het hoofdspoor van Amsterdam naar Utrecht en verder. Omdat we die dag in de stad een belangrijk dokument hadden ondertekend met een feestelijk randje, de aanleiding beschreef ik al eerder, besloten we om dit cadeau gegeven stukje korting om te zetten in eetbare waar. In dat restaurant met die veel zeggende naam 1e Klas. Zoals beschreven is de lokatie de naam meer dan waard.
Al is de akoestiek wel een dingetje. Met veel gasten, en die zaten er op die bewuste dinsdagmiddag in juni jl., was er flink veel geluid te horen en een gesprek op bij de naam van de lokatie behorend niveau nauwelijks mogelijk. Daardoor was het lastig met de man te spreken die ons aan tafel bediende. Een wat oudere heer die ook nog een niet Nederlandse achtergrond had. Soms moesten wel wel even vragen wat hij zei, maar het ging gereserveerd vriendelijk toe in die communicatie. De bestelde huiswijn, Italiaans, smaakte zeer goed. Net als de voorgerechten. Het is niet al te goedkoop allemaal, maar je krijgt er wel een stukje kwaliteit voor terug. Dat gold ook voor het hoofdgerecht. Zalig, warm en niet voorspelbaar met een bak friet als garnering.
Nee, hier kookt men echt op een 1e klasse-niveau. Wel jammer dat salades als toevoeging er toch uitzien alsof ze van heel ver per trein zijn aangevoerd. En met heel weinig fantasie bereid. Dat doen ze bijvoorbeeld in Duitsland in een eerste de beste schnitzeltent nog beter. Maar goed. We aten op ons gemakje tussen alle andere gasten en keken rond naar hoe er werd gewerkt door de staf om het alle gasten naar de zin te maken. Af en toe komen er hele groepen toeristen binnen die vooraf gereserveerd hebben en in hoog tempo worden bediend. Meer dan efficient. Verdient een pluim. Dat verdiende onze tafelheer wat minder.
De wijn en het lekkere eten maakten ons gewillig voor een leuke fooi. Maar een dankjewel kon er niet vanaf. Of wellicht mompelde hij dat in de ruimte en konden we het niet verstaan. Hoe dan ook, een cijfer 9 heeft 1e Klas wel verdiend. En dat komt dan vooral door outillage, geweldig eten, prachtige wijn, de dames en heren die ons de gerechten of drankjes brachten. Niet de vaste tafelober, of die salade. Zou men dat voor elkaar brengen was er een 10 uitgerold. Ondanks het geluidsvolume. Sfeervolle zaak. Aanrader! En met zo’n kortingvoucher nog te betalen ook. (Beelden: Yellowbird)
Kom er nu maar eens om. Kinderen die consequent buiten spelen. Ondenkbaar zo lijkt het wel eens. Was in mijn jonge jaren wel anders. Wij leefden min of meer op straat. Logisch want je zat een deel van de week opgesloten in een strenge katholieke school of een stringent regime thuis. Orde moest er zijn en ledigheid was het kenmerk van de duivel. Maar buiten was alles vrij en los en kon de fantasie haar werk doen. Zo waren wij als jongens van die Amsterdamse straat veel bezig met gezamenlijke spelletjes. Of het nu oorlogje, naspelen van de Olympische spelen, schieten met pijltjes of slagbal met rondjes betrof. Altijd buiten. Zowel na school tot het eten klaar stond, als daarna. TV speelde nog nauwelijks een rol. Wat we om ons heen zagen was voldoende inspiratiebron. Ik had het ‘geluk’ dat in die straat een aantal grote autobedrijven te vinden was. Kon toen nog in dat deel van de stad, waar het ook nog wemelde van de mkb-ers. Die lui reden met trucks en bestelauto’s door onze straat heen en weer en dat gaf een aparte impuls aan een spel waar we als 11-13-jarigen best gek op waren.
Het op de stoeptegels krijten van hele wegen en steden en daar dan met je miniatuurauto’s overheen rijden. Dinky Toys was in die jaren een bekende fabrikant van dat spul en als je geluk had kreeg je er wel eens een voor de verjaardag. En dan combineerden we samen die vloten voertuigen tot een nabootsing van het toen actuele verkeer. Ik weet nog goed dat ik bij elke Dinky-Toys truck die ik dan eens per jaar als cadeau ontving altijd weer te horen kreeg dat ik er niet mee naar buiten mocht. Logisch, want zo’n model kostte een rib uit het familielijf. Op mijn achtste een Brits busmodel van de BOAC. waarmee ik dan alsnog hele routes reed op straat. Op mijn 11e kreeg ik de zo lang begeerde Dinky Transporter met Bedford trekker. Daarmee kon je dan vier (Britse)personenwagens vervoeren. Zo’n Bedford kostte indertijd 11 gulden. Dus moest ik heel voorzichtig mee doen en ook lang als het even mocht…
Ook een grote Leyland Octopustruck met aanhanger werd zo mijn deel. Nou…ze deden al snel dienst op de straatstenen en liepen daardoor uiteraard links en rechts toch wat lakschade op. Jammer, maar helaas. Je speelde er zo voorzichtig mogelijk mee, maar die Leyland moest ook zand en stenen vervoeren…. Niet bevorderlijk, al bleef de basis-constructie gewoon onaangetast. Toen ik wat later in mijn leven overstapte naar de wereld van de luchtvaart en me vooral interesseerde voor alles wat vliegen kon kwamen de Dinky’s in een doos te staan en bleven daar tot er in de familie een opvolger gevonden was die er mee kon spelen.
Liefst niet buiten uiteraard want….. Twee generaties na mij vermaakten zich alsnog met de Britse voertuigen op schaal. Ergens in de jaren tachtig kwamen ze terug bij mij. En werden gerenoveerd. Mooi gemaaklt en toonbaar. Gek genoeg met nog steeds de originele bandjes. Dat was een wonder maar ook een teken voor hoe sterk die miniatuurwagens van toen werden gemaakt. Al weer decennia lang staan ze te pronken in mijn bescheiden maar qua vloot wel wat gegroeide miniatuurmuseum. Met al die herinneringen van vroeger gekoppeld aan die fameuze naam Dinky Toys. Kom daar nu nog maar eens om. Het bedrijf zelf ging overigens eind jaren zeventig financieel onder water toen jongelui uit die generatie liever achter een spelcomputer zaten dan speelden met miniatuuur-auto’s. Was een teken aan de wand. Niet veel veranderd….Ik wel! (foto’s: Yellowbird collectie)
Terwijl ik dus in mijn straatje nog steeds plezierig woon zijn er wel wat kanttekeningen te maken rond de ontwikkelingen in de buurt. Toen wij hier kwamen wonen, nu alweer zo’n 25 jaar geleden, leefden hier vooral wat oudere lieden. Rust was kenmerk. Is dat veranderd? Nou…wel een beetje. Verjonging vond in die jaren plaats, veel yuppen kwamen onze wijk in en dat zie je niet alleen aan de huizen (je moet zoeken naar originele ramen en deuren bijboorbeeld) maar zeker ook aan de gebruikte auto’s. Veel van die nieuwkomers houden er een kleine vloot voertuigen op na. Soms heeft men twee of drie auto’s en ook nog een reeks scooters. Het moderne leven vraagt er kennelijk om. En het succes van de hoofdbewoners maakt ook dat de eerste auto van zo’n gezin meteen groot en stevig moet zijn. Ik heb de strekkende meters in lengte, breedte en hoogte flink zien groeien door de jaren heen. Een SUV moet het zijn of een crossover. Wagens die natuurlijk veel ruimte bieden, maar zeker ook niet te zuinig zijn en qua MRB en BPM het nodige mogen kosten. Kennelijk maakt het allemaal niks uit.
Opvallend, veel van die auto’s staan soms dagen stil op dezelfde plek omdat men voor het werk per (prima) Openbaar Vervoer forenst. Of het moet zo zijn dat men met die grote ‘bak’ niet durft te rijden. Want als ik zie hoe er soms mee wordt ingeparkeerd….treurig! Gebrek aan goede rijopleidingen of gewoon geen talent om met zo’n enorme mastodont te rijden? Er zijn altijd uitzonderingen. Expats vinden deze buurt ook leuk en een gezin dat tot die groep behoort rijdt in een enorme Toyota. Echt een soort Hummer. De vrouw van het gezin komt als ze tegenover me staat wellicht tot mijn borstniveau als zij zelf naaldhakken draagt.
Maar die pittige tante klimt in die enorme Japanner van haar en rijdt er mee of ze een dwergformaat Daewoo Matiz bestuurt. Aan de andere kant van de straat het tegenovergestelde. Mensen die zo nodig een soort rijdende zeecontainer moesten kopen, in de vorm van een Zweedse SUV waar je zowat met een ladder in moet stappen. Man en vrouw rijden er bepaald niet behendig mee en inparkeren lukt slechts als er banden of wielen op de trottoirs terecht komen. Hun buren kochten een enorme Ford (voorheen een meer bescheiden Skoda Fabia) en daar hetzelfde beeld. Als ze al met die bak onderweg gaan is in/uitparkeren voor zowel man als vrouw kennelijk een probleem. Het liefst hebben ze 30 meter ruimte om zich heen voor ze die auto netjes van of op zijn plek krijgen. Kortom, er wordt hier wat afgeleden in de buurt met die ego-auto’s. Gelukkig hebben ze allemaal de fiets (al dan niet van het bakfietsmodel) of de scooter. Waarmee steevast tegen de richting van de eenkantopstraat wordt gereden. Dat het altijd goed is gegaan is mij een raadsel. Nou ja, ik heb weer even een beeld gegeven van onze woonstraat. Waar het heel leuk leven is, maar waar je soms ook met vraagtekens gedrag van anderen opneemt…Want lachen om het kleine leed van die anderen ben ik nog niet verleerd…… (Foto’s: Yellowbird archief)


Jaja, uw meninggever is voorzien van een voorvader die echt iets in de melk te brokkelen had. Een man (1816-1900)die notabel was, burgemeester zelfs van twee Nederlandse steden, en zorgde dat zijn nakomelingen door hun uitzwerven in ons land o.a. veroorzaakten dat ik het levenslicht zag. Hoe ik aan deze wijsheid kwam? Nou simpel, door vroegere medeblogster Pia die van genealogie een bijna professionele passie heeft gemaakt. Via Facebook doet zij vaak verslag van de meest ingewikkelde zoektochten naar mensen uit haar eigen familiegeschiedenis en elk lijntje dat zij tegenkomt zoekt zij dan nauwgezet uit. Bij mij is de zoektocht een stuk ingewikkelder. Allereerst omdat ik geen geduld bezit om allerlei archieven uit te pluizen als je nauwelijks weet wat of waar je moet zoeken. Mijn familiegeschiedenis in de generatie boven mij is al verstoord door scheiding en andere perikelen. Ik liep al snel vast toen ik het wel eens probeerde. Kwam voor mijn familienaam in een joodse lijn terecht of een van de Mormonen. Maar dat zijn echt de verkeerde verbindingen. Wist ik zeker.
Ik schatte ook de leeftijd van mijn natuurlijke vader wat verkeerd in. Wist wel ongeveer zijn overlijdensdatum, maar niet die van zijn geboorte. Thuis werd er niet zoveel over de man gepraat en door omstandigheden als….dan…negatief. Kortom een lastige zoektocht. Van mijn moeders kant was de situatie niet zoveel positiever. Ook daar een vervelende scheiding bij de grootouders, ver voor de oorlog. Wel wist ik dat er aan die familiekant lijnen liepen naar Hoofddorp en Scheveningen. Maar verder? Ik legde het onlangs weer eens neer bij Pia. ‘Hoe doe jij dat toch? Ik snap er geen moer van….’. Zij beloofde eens voor mij te zoeken als ik wel wat basisinformatie had. Die kon ik net aan leveren. En dus…..Twee dagen later was ze al zes generaties boven mij uitgekomen. En keek ik naar een overzicht waarbij die burgemeester passeerde maar ook de man die onze familie in Nederland zijn naam gaf, een uit Duitsland afkomstige huursoldaat die zich ooit (1765) in Nijmegen vestigde. En dat uit dat geslacht (met een Duitse H tussen de naamletters) ook een Groningse tak ontstond. Dus verre familie. Ik werd er helemaal blij en opgewonden van. Immers in onze huidige generatie en die voor of na ons, ligt Duitsland (en Tsjechie) na aan het hart. Dat bleek ook te gelden voor mijn vader en grootvader.
We vinden kennelijk het land fijn, het eten, de mensen. Nooit echt geweten waar het vandaan kwam. Nu wel….stukje familieband. En dat stemt toch in zekere mate vrolijk. Pia vertelde me nog waar ik op moest letten, dat bepaalde huizen uit die tijd nog bestaan en te bezoeken, en dat je bij allerlei archieven terecht kunt voor nog meer informatie. Nou, ik heb er weer een hobby bij. En vrouwlief wil uiteraard ook dat ik voor haar ga zoeken. Want opmerkelijk genoeg kent die vanuit een van haar grootouders net als ik een even onbekende maar wel vastgelegde link naar Nijmegen. Straks waren onze voorouders ook al met elkaar verbonden. Verborgen verledens…..Het blijft leuk allemaal! Zelf ook wel eens op zoek geweest? En? Gevonden??? (Beelden: Yellowbird archief/Zelhem/Wiki)
Het was in de buurt van mijn jeugd en tijdens de prille pubertijd dat ik ontdekte dat veel straten in mijn woonomgeving waren benoemd naar klassieke schilders. Grofweg tussen de Tolstraat (overblijfsel uit de tijd dat er ook echt een tol werd geheven als je daar de stad in wilde) en de singel die we nu als Ruysdaelkade kennen werden alle straten naar schilders genoemd. Dat was simpel en ook handig. Maar er waren ook uitzonderingen. Niet ver van ons huis en aan de oevers van de Amstel werd in de 19e eeuw de enorme St. Willibrorduskerk buiten de Veste gebouwd, diens geschiedenis belichtte ik al eens enige tijd geleden. Opvallend daarbij was dat de aanpalende straten een afwijkende naam kregen van het patroon met die schilders. De langste straat werd de St. Willibrordusstraat, een dwars daar op gelegen korte verbindingsweg tussen die straat en de Ceintuurbaan werd de Servaes Noutsstraat. Een straat waaraan ook mijn vroegere lagere school gelegen was.
En die historische figuur schilderde in de beste tradities van zijn familie wel eens een portretje maar hij werd veel bekender als klokkenspeler in de 17e eeuw. Dat deed hij zo goed dat hij zelfs indruk maakte op de Russische Tsaar Peter de Grote bij diens bezoek aan de hoofdstad in die periode. Servaes Nouts was een bijzonder heerschap. Hij was creatief, maar geen echte zakenman. Hij trouwde een vrouw die vooral scenes trapte bij hogergeplaatsten in de stad wat nu niet meteen goede reclame voor haar echtgenoot was. Maar de man werd wel stadsklokkenist en mocht ook de klokkenspelen van o.a. de Zuiderkerk en die van het (oude) stadhuis onderhouden. Dat spelen ging hem zo goed af dat veel gegoede burgers graag wilden weten dat ze weer eens een concert van Nouts hadden bijgewoond.
Nouts wilde graag hogerop en veranderde op enig moment zijn naam in Nuyts, waardoor hij meer aanzien kreeg. Maar dat aanzien hielp hem niet aan rijkdom. Hij woonde bepaald niet op stand en moest van een schamel gemeentelijk inkomen zien rond te komen. Zijn tweede huwelijk kon hij pas vieren toen hij door de toenmalige burgemeester een hoger salaris kreeg toegemeten. Zijn tweede huwelijk was met een flink jonger buurmeisje dat hem adoreerde, precies wat Nouts nodig had om gelukkig te worden. Hij overleed op 65-jarige leeftijd in 1693, zijn jonge vrouw volgde hem al na vier maanden in het graf. Een man die uiteindelijk zijn eigen straat kreeg. Een kort straatje weliswaar en in een buurt vol grote en bekende schilders. Die kerk is intussen verdwenen. De plaats waar die stond is nu het Servaes Noutsplantsoen geworden. En zo heeft hij hier bij mij ook weer even aandacht gehad. Zeer gegund. (Beelden: Yellowbird/Makelaar/Inrternet/Wiki)
In de jaren die vooraf gingen aan de grote successen met onze merken in de lokale markt, deden we op reclamegebied precies wat de importeurs van ons vroegen. Af en toe voegden we wel iets toe aan die landelijke campagnes. De importeurs belastten ons voor een bijdrage in het reclamebudget per geleverde auto. En daarvoor kreeg je dan een soort communicatieve eenheidsworst. Het systeem was ook bekend bij andere merken, niets nieuws onder de zon. Maar als je moest roeien met de riemen die je bezat en de concurrentie o.a. van mede-merkdealers kwam die ook graag hun aandeel wilden leveren aan het verkopen van die merken in de (of jouw) regio, moest je wel iets bijzonders presteren op reclamegebied. En dat wilde ik als eerzuchtig en communicatief mens graag. Ik liet wel eens wat produceren door de vertegenwoordigers van de toen nog dominante kranten in de regio. Als je maar adverteerde bij die lui kreeg je veel voor elkaar. Maar het bevredigde toch niet helemaal. Ik was, ben en zal altijd zijn, een voorstander van reclame op dealerniveau waarbij die dealer ook vertelt wie hij is en wat hij als toegevoegde waarde te bieden heeft.
Een via via verzorgd contact met een toen fris opgestart Zaans reclamebureau bracht een oplossing. Een nieuwe huisstijl, slogan en opvallende reclames. Elke week iets anders. En opvallen met wat we te bieden hadden. Zowel voor Skoda als Daihatsu deden we dit en we vermeden zoveel als mogelijk was de standaard-uitingen. ‘De Vriendelijke Professionals’ werd ons handelsmerk. En dat kwam goed aan. Ook al kostte het intern heel wat pijn en moeite om het bijbehorende gedrag ook voor elkaar te krijgen. Er zaten mensen in de leiding van het bedrijf die hier helemaal niet mee bezig waren. Het ging hen vaak om extra geld of bestuursmacht, niet om het belang van klanten. Het botste daardoor binnen het MT vaak stevig. Maar toen ik besloot om een brochure te maken waarin we uitlegden wie we waren, welke gezichten hoorden bij welke naam en we ook nog eens visitekaartjes met dat principe lieten drukken, wilden al die lui ineens wel graag met hun kop op de foto. Men zag het voordeel echt wel maar wilde niet te veel moeite doen! Dat was het gewoon. Ik liep daarmee toch wat te ver vooruit op de troepen. Maar die folders gingen als broodjes bij de bakker de deur uit.
Goed voor mailings en ook gaven we ze mee als mensen gewoon folders kwamen halen voor hun evt. aankoop-overwegingen thuis. Dan wisten ze meteen bij wie ze die auto zouden kopen. Geen van onze concurrenten kon of ging mee in die reclameslag. En die reclame viel op. De vakpers pikte de trend op en gaf ons duidelijk complimenten. Trots makend. Want wie opvalt kan rekenen op klandizie. En dat werkte ook zo. Het kostte wat, maar dan kreeg je ook iets. Verder werd alles wat we deden aangepast aan de slogan. We hadden een verjaardagskaartensysteem. Een ingehuurde jonge dame haalde uit ons klantenbestand de mensen die over twee dagen jarig zouden zijn en die stuurden we een leuke kaart. Er lag altijd een cadeautje voor hen klaar. Van alles wat. Gescheiden voor de beide merken. T-shirts, service-aanbiedingen, schaalmodellen. En..klantencontact bracht heel vaak extra werk met zich mee. Daar deden we het tenslotte ook voor.
Sleutelhangers werden aangepast en zo meer. Die campagne werd ook doorgezet toen we al op drie verschillende lokaties actief waren. En dat verspreidde onze dealer-merknaam over de hele stad en regio. En ik leerde zelf heel veel over wat wel en niet op dit gebied kon of werkte in die jaren. Iets wat ik later nog met veel plezier zou toepassen bij mijn werk voor de latere importeur van Skoda. Waar het ook weer bewondering zou oogsten bij de een en verguisd door de ander. Zonder reclame en goede PR kom je er echter niet. Zonder een eigen imago ook niet. En ik kan in ieder geval stellen dat ik daaraan ook in mijn dealerjaren keihard heb gewerkt. Al kostte me dat meer dan alleen wat inspanningen…..veel meer! – Wordt vervolgd! (Beelden: Yellowbird Photo/archief)