St.Pieterskerk Turnhout

Wie mij kent weet dat ik nog altijd iets heb met kerken. Soort culturele musea die voor velen een directe lijn met de hoger geplaatste in de hemel voorstellen of een bron van rust. Voor mij toch vooral plekken om me te verwonderen over de mate van aanbidding die hele volksstammen schonken aan die God-in-den-Hoge. Bij de oer-gelovigen, zij die Rome aanhingen als enig ware stroming, was soberheid vaak niet de meest voorkomende eigenschap. Het moest allemaal opgesmukt en aangekleed en op goud noch zilver werd er gespaard. Men brandschilderde de ramen, maakte spreek/biechtstoelen die de gelovigen duidelijk in een vooropgesteld nadelige positie brachten en zette bankjes neer die zo oncomfortabel waren dat je god letterlijk dankte als je gewoon op mocht staan en naar huis kon. Al die dingen komen samen in de kerkgebouwen die nu nog overeind staan.

In katholiek gebied zijn dat er heel wat meer dan in het toch wat ontkerkelijke noorden van de oude Nederlanden. Laten we wel zijn, dat Belgie was ooit niet meer dan een onderdeel van het door de Oranjes geleide Nederland. Maar geloof en afkeer van de ketters uit het noorden zorgden voor scheuring. De Belgen zijn dus overwegend katholiek gebleven en dat is hen te prijzen. Hun kerken laten ook zien dat men extra aankleding niet schuwde en zelfs kitsch durfde toe te voegen aan dat wat bij de Roomsen al vaak overdadig werkte. De St.Pieterskerk in Turnhout (Antwerpen) staat op het grote plein in het centrum waar ook de meeste horeca van de stad te vinden is.

Het is een fraaie kerk, aangekleed zoals ik beschreef en in de diverse zijbeuken kom je al dan niet open gestelde altaren tegen die voor een deel god de vader, zijn zoon of de heilige moeder Maria vereren. Het spreekgestoelte van de priesters die hier de heilige katholieke mis leiden en daar prediken, is echt een wangedrocht. Het ding is een 19e eeuwse kopie van een soortgelijk object in een van de Antwerpse kerken, maar dat maakt het nog niet mooi. Leuningen als takken van een eik, in chocoladebruin uitgevoerd. Het is mij te erg. Neemt niet weg dat ik de strekking wel snapte. Ook de biechtstoelen zijn zo! Wat was dat toch een mooi fenomeen bij de katholieken, dat biechten.

Gewoon even de zonden laten wegwissen door de priesters die afgezonderd tegenover je zaten en ‘hup’ met wat berouw en gebeden kon je weer verder, die biechtstoelen  zijn hier dus ook pompeus van vorm en doen bijna een glimlach op de lippen verschijnen. Maar alles bij elkaar is dit een fraaie kerk, gemaakt en gebruikt in de beste Roomse tradities. En gratis toegankelijk. Een fenomeen dat we bij de grotere kerken bij ons in Nederland nog wel eens zien verdwijnen. Verdienmodellen en zo meer… Mocht je in de buurt zijn, Turnhout ligt een kilometer of 45 van Eindhoven en is goed bereikbaar. Ga er eens heen en dan ook deze kerk binnen. En verbaas je. Net als ik deed. (Beelden: Yellowbird Photo)

Leven met de vliegende pijl – 10 – Afscheid van Englebert…

Het waren echt hectische tijden tussen 1979 en 1981. Er werd van alles en nog wat door de gevoerde merken gedaan om die toch wat achterblijvende verkopen omhoog te krijgen, maar de situatie was in Nederland economisch gezien niet zo rooskleurig. Ook toen was sprake van een fikse economische dip, grote bezuinigingen, veel werkloosheid, hoge rentestanden en voor ons als autodealers ook nog eens sprake van een fikse concurrentie. We hadden auto’s in huis met prijskaartjes tussen zeven en 15 mille (in guldens) en eigenlijk voor iedereen wel iets te koop, zij het dat de merken niet meteen tot de bovenkant van het wensenlijstje van prospectkopers behoorden.

De FSO Polonez bleek in feite niet veel meer dan een 125P met een nieuwe jas, die weliswaar qua (Italiaans)ontwerp goed oogde, maar net zo beroerd was afgewerkt als zijn oudere en vooral goedkopere zusjes. Op uitnodiging van de importeur maakte ik nog eens een trip naar Warschau om de bouw van die wagens te aanschouwen. Wat ik zag was voldoende om het dealercontract ter plekke op te zeggen. Wat een bende bij die Polen! Bij Skoda was er vanuit de oude tradities nog enige vorm van organisatie in die communistische jaren, maar bij die Polen… Hyundai leverde een leuke vierdeurs sedan in de vorm van de Pony, voor een leuke prijs ook, maar met een kofferbak waar je net aan een boodschappentas in kwijt kon, een interieur dat echt nog voor kleine Aziaten was gemaakt en een wegligging die niet zo heel veel beter was dan die van de wagens die de Oost-Europeanen aanboden.

Wat wel beter was, en dat was een verademing, de technische kwaliteit van het gebodene was duidelijk op ander niveau. Met uitzondering dan weer van de roestwering, want die was bij die Koreanen in die periode, net als het spuitwerk, niet goed, zeg maar slecht, verzorgd. Net zo min als de levering van bepaalde kleuren. Liet je in de showroom een GLS zien met blauwe bekleding bij een zilvergrijze buitenkant, was de kans groot dat de klant er een geleverd kreeg met paarsrode bekleding. Men hield in Korea niet zo van individuele koperswensen in die tijd en dat zou op dat punt nog voor veel discussies en ellende blijven zorgen. Skoda deed intussen haar best om met de Estelle-reeks klanten aan zich te binden. Om het imago omhoog te halen gingen de Tsjechen ook weer eens aan de slag om sportieve prestaties te leveren. Dat deden ze door de aloude Coupés om te toveren tot zeer potente race- en rallywagens die werden aangeduid als S-120LR of S-130RS. Ook op het circuit van Zandvoort reden die in een Europese competitie en dat deden ze bepaald met succes.

Zowat alles binnen de klasse waarin ze streden werd voorbij gereden en het Westerse (en ook Nederlandse) publiek was er danig van onder de indruk. Dat leidde tot contacten tussen de toenmalige importeur en de indertijd succesvolle en bekende coureur Rob Slotemaker. Die had een slipschool in Zandvoort en reed daarnaast met grote Chevrolet Camaro’s mee in de diverse races die op het Zandvoortse circuit in die jaren werden gehouden. Rob Slotemaker zou volgens opgesteld plan in een door de fabriek geleverde Skoda van het sportieve type gaan rijden, en dat moest dan een positieve uitstraling hebben richting kritische Nederlandse kopers. Dat was best pikant overigens, want diezelfde Slotemaker fakkelde begin 1977 een Skoda 120L nog compleet af in opdracht van Autovisie. Maar dit terzijde. Helaas kwam het nooit zover dat hij zijn negatieve woorden om kon zetten in iets promotioneels. Slotemaker verongelukte tijdens een race in een Chevrolet Camaro voordat de Skoda-campagne goed en wel was gestart. Nu was goede raad niet zo heel duur, want de vroegere blonde slipkoning had een maatje in de persoon van Jan Lammers, indertijd een zeer talentvolle en door Slotemaker opgeleide coureur in juist dit type wagens van Simca en die nam al snel het vervangende voortouw in een reeks aanbevelingen richting Skoda-importeur en publiek. Een van de beste daarvan was de ‘tip’ om een zeer sportief uitziende Skoda te gaan leveren. Zwart van lak, mooi racestuur, fraaie velgen. Spoilers voor en achter, sideskirts en de nodige rode striping. Het nieuwe model werd als ‘Black Arrow’ aangeduid en baseerde zich op de net nieuwe S120LS, die ‘maar liefst’ 58 PK en een toerenteller als extra’s mee had gekregen van de Tsjechen. Later leverde Skoda ook een soortgelijk pakket voor de duidelijk minder presterende 105-reeks om zo de prijs omlaag te kunnen brengen voor het toen zo veeleisende maar op de centen zittende koperspubliek.

Het dealerkorps was erg enthousiast over die zwarte auto, het grote publiek uiteindelijk toch wat minder. Er zijn denk ik maar heel weinig van die Black Arrows verkocht. Met suggestie alleen kom je er niet. Ik heb zelf indertijd een soortgelijke set ook los te leveren spoilers van die actie-auto en zo meer op mijn privé-120L laten zetten en dat maakte die auto wel erg sportief. Van uiterlijk, dat spreekt. Maar toch! Het Black Arrow-avontuur was het laatste kunstje van importeur Englebert. Medio 1981 viel het doek voor het legendarische importbedrijf dat o.a. ook Packard had verkocht, en naast Skoda en de andere Oostblokmerken ook International Harvester importeerde uit de VS. Ook banden en radio’s zaten in het gevoerde assortiment. Maar de wegvallende inkomsten bij Skoda en de vele, vele garantieclaims voor de gevoerde merken deden het bedrijf wellicht de das om. Dealers bleven met een kater achter. Geen importeur meer, geen uitgekeerde garantieclaims, geen service. Zo leek het. Gelukkig bleek dat Skoda nog lang niet over haar aantrekkingskracht heen was….Een paar nieuwe kandidaat-importeurs meldden zich al snel in het Tsjechische Mlada Boleslav en Praag om te dingen naar de import van het Tsjechische merk, inclusief overname van het bestaande dealerkorps. Maar in alle eerlijkheid, dat jaar 1981 staat me nu nog bij als een waardeloos en verloren jaar. En dat werd pas ergens in 1982 ietsjes beter, ook al zou ook daarin het nodige plaatsvinden dat ons verder ook weinig vrolijk stemde. Wordt vervolgd – (Beelden: Yellowbird Photo/Skoda – Alle teksten eigendom van de auteur!)

De Toekan in Eindhoven

Als we samen met onze Zuid-Hollandse vriendjes ons jaarlijkse tweedaagse uitje plannen is ManGoud meestal degene die de planning doet op het gebied van waar we voor een relatief lage prijs kunnen verblijven in een hotel met het nodige comfort. Ik ben dan weer altijd degene die aandringt op dat comfort. Bad, wifi, airco en vrij parkeren zijn toch wel de zaken die er toe doen stel ik dan. En het lukt hem vrijwel altijd om aan die wensen te voldoen. We hebben dan wel middels dat wensenpakket door de jaren heen op allerlei wonderlijke plekken gelogeerd, maar nooit met spijt achteraf of zo. Dit jaar kwamen we terecht in Van der Valk Eindhoven. Een groot hotel met de toekan op het dak, vlakbij de doorgaande snelwegen richting Duitsland, Limburg of het noorden. Ik kende het hotel van vroegere zakelijke ontmoetingen of een kopje koffie met een vriend(in) na een leuke trip. Maar echt gelogeerd? Nee! Nou dat was bepaald een gemis. Zo bleek wel bij ons recente verblijf daar..

Want dit hotel is door- en door comfortabel. Het personeel buitengewooon gastvrij en aardig en de kamers tip-top op orde. Gewoon veel ruimte voor het bedrag wat men vraagt. Tijdens de bloedhitte die ons land trof in de tweede helft van de maand juli was de airco goed in staat om de kamer tot een oase te maken en het geluid van dit systeem zodanig op de achtergrond dat ik zowaar nog lekker sliep ook. En dat is iets wat me bepaald niet overal lukt. De grootste verrassing was echter het ontbijt. Echt, ik ken mijn plekjes op dit gebied en zelfs bij andere Toekan-vestigingen werd ik altijd overweldigd door het aanbod, deze keer sloeg echter alles. Ik heb zelden zo’n assortiment aan brood, fruit en drankjes of hapjes gezien en daarnaast biedt men ook nog een kok aan die allerlei zaken vers voor je klaarmaakt terwijl je wacht.

Het maakt ontbijten hier tot een feest. En dat feestje vierden we ten volle. Het was een geweldig verblijf. Wellicht dat je een aanmerking kunt maken op het feit dat koffie en thee hier uit automaten moet worden gehaald, maar dat is kniesorenwerk. Het hotel kent bij de hoofdingang een geweldig leuke visvijver waar je met een bruggetje overheen wordt geleid. Er is een zwembad (niet benut dit keer) en er zijn leeshoeken en kleine convienience-shops in de lobby. Positieve indrukken die door een enkel klein feitje een half punt aftrek zouden verdienen. Vanaf de hoofdingang loopt een zebrapad (prima!) naar de parkeerplekken voor het hotel. Alleen heeft men een ondoordringbare heg neergezet tussen de twee grote onderdelen van die parkeerplaatsen. Gek genoeg loopt die zebra aan de andere kant door. Maar die heg moet dus daar gewoon weg. Nu moesten we met bagage een aardig eindje in de hitte over de rijbanen lopen om weer bij de auto te komen. Maar goed, dat maakt ons zeer positieve rapportcijfer dan 9,5 ipv 10. Verder is dit een heerlijk hotel om te verblijven als je in deze omgeving wilt of moet verkeren…(Beelden: Internet/v.d.Valk)

Begijnhof…

Wie als vrouw in vroeger jaren zonder man zat of kwam te zitten had daarna maar weinig echte keuzes. Zoals je nu bij nieuwe bevolkingsgroepen nog wel eens ziet was in christelijk/katholieke kring uithuwelijken nog heel normaal tijdens de late Middeleeuwen. En wilde een vrouw dat niet ging (moest) ze in het klooster. Met name dat laatste hield in dat men geen kans meer had op menselijke geneugten, immers geloften van armoede en kuisheid waren dan opgelegd pandoer en de Here Jezus de enige man in je leven. Dat was voor veel vrouwen vanuit hun fysieke or karakterwezen geen optie. Maar meestal economisch afhankelijk van de mannen of familie hadden ze geen keuze. Tot er een ‘derde weg’ ontstond die door heel Europa een behoorlijke reeks volgsters kreeg. Je kon ook begijn worden. Een soort tussenvorm waarbij je het geloof trouw bleef, maar toch minder streng in de leer een soort van onafhankelijke status kon opbouwen.

Die status hield dan wel in dat die kuisheid (reinheid) nog steeds min of meer in acht werd genomen, maar dat je verder in een eigen onderkomen samen met andere dames kon genieten van een redelijk beschermde jonge of oude dag. Begijnhoven werden al snel overal ingevoerd of opgericht. De resultaten daarvan vinden we nog steeds in vooral van oorsprong katholieke steden. Al dan niet nog steeds in gebruik. Zo kennen we het bekende Begijnhof van Amsterdam, maar zijn die ook elders in Nederland te vinden. Onlangs bezochten wij een van de grootste. In Belgie. Turnhout heeft de eer om daar een schitterend voorbeeld van die toenmalige cultuur in ere te houden en je staat met je mond open van verbazing als je ziet welke oase dit eigenlijk altijd moet zijn geweest. Prachtige huizen, schitterende kerken, een Mariakapel en fraaie natuur. Maar vooral die stilte…

De laatste begijn die hier nog leefde was een Rotterdamse die in 2002 op zeer hoge leeftijd overleed en had bedongen dat zij achter de kerk in het hof begraven wilde worden. Men had bij het stadsbestuur van Turnhout niet zoveel op met die laatste wens, maar uiteindelijk kreeg de onverzettelijke begijn het toch voor elkaar. En dat geeft wel weer dat deze dames die toch vooral druk waren met goede doelen en nuttig werk, niet voor een kleintje vervaard waren. Geen nonnen dus. Wie de man van hun dromen tegenkwam kon altijd kiezen voor een  bestaan buiten het hof. Dan was de kuisheid niet meer gewaardborgd, maar lonkte een leven met gezin en kinderen.

Begijnen waren voor de diverse kerkelijke en wereldse machthebbers lastig te vatten. Men wilde ze eigenlijk niet zien als vroom genoeg, maar dat besef kwam toch met de jaren. Al was het maar omdat de begijnen in hun tijd veelal echt gelovig en vlijtig leefden. Op het hof van Turnhout kom je heel wat kerken en kapellen tegen. En alles is in prima staat bijgehouden. Er staat ook een leuk museum waar vanuit men met enthousiaste gidsen rondleidingen kan maken en een goed inzicht wordt gegeven van wat hier in verleden en heden allemaal speelde of speelt. Wij hadden er ondanks de buiten heersende hittegolf-temperaturen veel plezier aan. Een aanrader van jewelste als je een beetje interesse hebt in de kerkelijke geschiedenis en cultuur. En ook wilt zien hoever we in onze huidige tijd en cultuur zijn opgeschoven naar vrijheid en blijheid. Want hoe fraai het leven van die begijnen ook was in hun tijd, een godsdienstig bepaald keurslijf was nog best hun deel. En dat hebben echt moderne vrouwen toch maar mooi van zich afgeschud. Nu blijft het gevecht om dat vooral vast te houden. (Beelden: Yellowbird)

Leven met de vliegende pijl – 9 – Hundie!

In die jaren waaraan ik nu even refereer, zo tussen 1980-82, verging het ons dealerbedrijf dus wat minder goed. We waren dealer van het Tsjechische automerk met die lange traditie, maar de bevooroordeelde pers fakkelde zowat bij elke rijtest alles af wat die Tsjechen zoal produceerden. Dat was wellicht voor een deel nog te verklaren, maar het werd me een aantal jaren later duidelijk dat er indertijd achter de schermen ook wat rekeningen werden vereffend met vertegenwoordigers bij de toenmalige importeur door de mannen die zichzelf zagen als ‘goden’ in dat vakgebied. Het zichzelf autojournalist noemende volk had ook commerciele belangen. Geen advertenties, geen goede pers! Zo simpel was het. Als dealer moest je intussen toch wat, dus we zochten naar expansie via andere kanalen. En op dat moment in de tijd kwamen we dus in contact met dat automerk wat we nu, anno 2018, allemaal zo goed kennen. Ik had er indertijd zelf nog nooit van gehoord toen de eerste vertegenwoordigers van wat later de importeur zou worden, voor ons bedrijf stopten.

Het bordeel paarse interieur en de beperkte binnenruimte nam je uiteindelijk dan maar op de koop toe. We zagen er toch wel iets in en gingen in zee met de nieuwe importeur. Die was zelf gezeteld in een piepklein kantoor achter een caravanhandel in Leidschendam, maar de sfeer was er goed en de service vriendelijk. Al snel stonden de Koreaantjes in onze showroom en reden we rond in een demonstratiewagen. Wat lastiger bleek, voor de meeste Nederlanders was die naam even onbekend, maar meteen ook onuitsprekelijk.

Wij zelf maakten er Hie Joen Dai van, maar onze collega-dealer in Amsterdam-Centrum noemde zijn nieuwe merk Joen Dee en de Koreanen spraken het uit als Oendee of zo. Gelukkig heette dat eerste model dat ze jaren zouden voeren gewoon Pony en dat was voor veel mensen wel uit te spreken. Tot die ene keer dat er een plat Amsterdams sprekende potentiele koper binnen stapte en mij op luide toon vertelde dat hij wel eens wilde proefrijden in een ‘Hundie Ponnie’. Kijk, toen wisten we dat er nog heel veel werk te verrichten viel. Het succes en zeker de winst werd ons uiteindelijk niet gegund met en door Hyundai. De match was er na een paar jaar niet meer toen het merk naar een nieuwe importeur overging en die daarop aan het redelijke grote dealerkorps van die eerste paar jaar zulke eisen stelde dat wij daaraan gewoon niet konden maar vooral ook niet wilden voldoen. Intussen waren we wel veel wijzer geworden. En ik leerde zelf in die jaren dat als je klanten iets wilt verkopen de naam van het merk tenminste herkenbaar en uitspreekbaar moet zijn en de communicatie op dit punt overduidelijk. Maar als pioniers waren we daar toen nog lang niet zo mee bezig. Maar mijn creativiteit op marketinggebied wel gewekt. Wordt vervolgd op 09-09 a.s. (Foto’s: Yellowbird Photo – Alle teksten zijn eigendom van de auteur) 

 

Belgisch vernuft…Imperia!

Wie meent dat het concept van de hybride-auto, oftewel een auto die niet alleen een benzinemotor aan boord heeft om zich voort te bewegen, maar ook elektrische aandrijving, afkomstig is uit Japan en meer speciaal Toyota, moet ik teleurstellen. De Japanse fabrikanten zijn weliswaar in staat geweest de afgelopen pakweg 15 jaar dit concept in serie aan te bieden aan de markten over de hele wereld, het was een heel ander bedrijf dat dit hybride-systeem ruim 100 jaar geleden al introduceerde en patenteerde; Imperia. En dat merk kwam uit…België. Want terwijl wij hier druk zijn met DAF of Donkervoort, kunnen de Belgen terugkijken naar een geschiedenis met een behoorlijk druk palet aan autofabrikanten. Imperia was daar bepaald niet de grootste van, wel een opvallende. Omdat men meer zaken deed of ondernam die we nu toch wel als heel bijzonder zien. Men maakte motoren voor die gebouwde wagens zonder kleppen. En had, dik voor de Traction Avant Citroen op het wereldtoneel als uitvinder van dit systeem zou doen betitelen, allang auto’s in de aanbieding met de aandrijving op de voorwielen.

Waar het Imperia door de jaren heen aan mankeerde was vooral genoeg kapitaal en een oervorm van marketing bedrijven. Het bedrijf stamde uit 1904 toen oprichter Adrien Piedboeuf de oude boedel van een nog markanter bedrijf uit die streken overnam, Pieper. En die firma had die hybride bedacht en op de weg gezet. Imperia hoefde het alleen maar te perfectioneren. Deed dat een tijdlang in Luik, verhuisde later een kilometer of 40 verderop, naar een niet ver van Verviers gelegen dorpje, Nessonvaux. En daar expandeerde de boel behoorlijk. Zo zelfs dat men voor het testen van de eigen auto’s net als Fiat een grote testbaan aanlegde op het dak van die fabriek. Helaas had Imperia last van de twee wereldoorlogen. Men kreeg tussentijds nog een Nederlandse directeur die het merk in de vaart der volkeren op liet stomen.

Maar die oorlogen en die Duitsers die telkens weer de fabriekshallen leeghaalden waren een beetje veel van het verkeerde. Na de laatste oorlog moest men naast de spaarzaam verkopende eigen auto’s ook wagens in licentie gaan maken. De schoorsteen moest roken en dus koos men net voor de oorlog nog voor het Duitse merk Adler, kocht Minerva, ook al een Belgisch merk en ging na de bevrijding over op de licentiebouw van een Brits merk, Standard. De Vanguard van de Britten werd na in elkaar zetten op dezelfde wijze getest als de nu nog als zeer degelijk omschreven Imperia’s. Gewoon op het dak van de fabriek. Wisten kopers tenminste wat ze kregen. Helaas redde Imperia het niet. In 1958 viel het doek en werden de laatste werknemers ontslagen. Sindsdien raakte het complex in verval. Al zijn loodsen en stukken testbaan nog wel te vinden als je er even gaat kijken. Imperia, volkomen onbekend behalve in kringen van echte liefhebbers of historici en nu ook bij de lezers van dit blogje. En meteen ook een mythe doorgeprikt rond die hybride-auto’s. Niet modern, niet nu actueel, maar al een eeuw geleden. En bedacht door Belgen! Kom daar maar eens op toch?!(Beelden: Wiki/Internet)

 

Manko in de media; rechts TROS-geluid!

Wie de huidige Tv-zenders bekijkt die in Nederland actief zijn ziet toch vooral dat in zowel elk programma linksige meningen worden verkondigd als zijnde de enige waarheid. En dat heeft zo zijn effecten op de mening van veel mensen die zich daarop baseren. Hoewel we in merendeel rechts stemden bij de onlangs gehouden verkiezingen, is het links dat de mening dicteert die wij eropna (moeten)houden. Of een andere (meer realistische) mening juist afdoet als niet relevant, nationalistisch, dan wel anti-islam. Vormen van deze soort voorlichting kwamen ook in de jaren zeventig al voorbij. Het tv-landschap van toen door de verzuiling ook aardig saai. De piratenzenders als die op het REM-Eiland, van een aantal jaren eerder waren een te vroege dood gestorven maar veel mensen wilden gewoon vermaakt worden. Niet al dat geleuter over een ondergaande samenleving en de problemen van of armoede in de derde wereld.

En dus ontstond uit de ingezaaide velden van die piraten een omroep die niet alleen zou zorgen voor veel vermaak en eigenlijk de basis legde voor de RTL’s van tegenwoordig, de TROS. Oprichter Joop Landre wilde een ander geluid laten horen. Niet alleen maar door aardige series uit te brengen of zaterdagavondshows die hun weerga niet kenden, maar ook door een behoorlijk conservatieve actualiteitenrubriek die als TROS-Aktua jarenlang de rechter kant van het politieke spectrum zou vertegenwoordigen. Bekende gezichten van die rubriek waren Ivo Niehe, Jaap Jongbloed, Marcel Bruijns en wat later in de tijd de onlangs overleden Wibo v.d. Linde. Daarnaast waren er nog Yvonne Habets, Ard Horvers, Bob Kroon, Hein van Nievelt (die ik nog eens in de ban deed na oneerlijke kritiek op mijn favoriete automerk), Henri Schop en de charmante Tineke Verburg. Jan Pelleboer deed het werk op het gebied van weersverwachtingen. TROS-Aktua was o.a. actief rond de zaak Menten. Er werden wat afgeleide programma’s ontwikkeld als TROS-Aktua in Bedrijf, Aktua Geld en ook een versie voor jongeren, Aktua Junior.

De teneur van de berichtgeving stond haaks op die bij de Vara en c.s. Men was kritisch op al die zgn. waarheden die vanuit die linksige hoek werden georeerd en wie de Telegraaf las wist wel uit welke hoek de nieuwsgaring kwam bij de TROS. En daar was niks mis mee als je nu ziet dat DWDD vooral lijntjes heeft met VN, Volkskrant en NRC. Scheelt vaak ook veel redactiegeld. In 1993 ging het programma op in TweeVandaag en verdween dat TROS-gezicht uit beeld. Ook de AVRO verloor haar best wat rechtse rubriek Televizier. Men liet zich verrassen door de wens bij de NPO om toch vooral het linkse geluid te laten horen. Ik zou best eens benieuwd zijn wat die kopstukken van toen voor de TROS van nu zouden rapporteren over al die immigratie en milieu-verhalen die wel erg eenzijdig van toon en inhoud over ons heen worden gestort. Jammer dat WNL dat gat nooit heeft kunnen invullen.  Het zou best eens verfrissend kunnen werken als we op die TV neutraal tot tweezijdig nieuws tot ons konden nemen. Maar helaas. Het journaille neemt kritiekloos over wat voorlichters of actievoerders zoal oreren. En dat is en blijft een trieste, bijna verdrietige constatering. Kortom, ik mis die TROS en AVRO van toen. Omdat ik zo graag wat realisme zou willen zien als antwoord op al die #Webmetons verhalen die we nu over ons heen gestort krijgen. (Beelden: TROS/Internet/Telecommunicatie)

Leven met de vliegende pijl – 8 – Engeland en Korea!

Een paar kritische artikelen in de internationale en vaderlandse pers zetten de aanvankelijk goed lopende verkopen van de nieuwe Skoda’s uit 1977 aardig onder druk. Probleem was dat de auto’s op door de fabriek geleverde originele relatief smalle en wat hoge velgen, Tsjechische Barumbanden en basis onderstel uit de vorige reeks redelijk instabiel konden worden als de bestuurder wat weinig gevoel had voor het moment dat de wagen met zijn toch wat zware achterkant hard door een bocht heen moest. Zoals bij alle auto’s met de motor achterin moest je als bestuurder wel een beetje weten wat je deed en haakse bochten nemen met veel snelheid was niet zo handig. In Engeland waren mensen zo op hun zijkant en zelfs dak van hun nieuwe Tsjech terechtgekomen en de Britse tegenhanger van de ANWB vond de Skoda’s zelfs zo beroerd rijden dat ze de term ‘gevaarlijk’ gebruikte. De Britse importeur uit die jaren deed daarop iets heel slims, men werkte al snel met die zelfde consumentenorganisaties samen. Om die door hen geleverde Skoda’s te verbeteren. Dat lukte door de vering in te korten, andere dempers te monteren, bredere velgen plus banden, en het stuurhuis, toen nog worm en rol, strak aan te trekken, waardoor de auto’s veel beter rechtuit reden dan voorheen. Nadeel was dat je daarna flink moest trekken aan het stuurwiel om een bocht door te komen. Hoe dan ook, de Britten noemden de wagens vanaf dat moment ‘Estelle’ en brachten de modificaties onder de aandacht van de Tsjechische fabrikant. Die reageerde relatief snel voor een producent uit het toenmalige Oostblok.

De fabricage werd stil gelegd, aanpassingen gedaan en de auto’s op Britse wijze geleverd. Alleen de uit de vorige modelreeks stammende maar nog steeds separaat gebouwde S-110R Coupe ontsprong deze modificatie. Al snel kwamen er allerlei uitvoeringen op de markt die het thema Estelle onder de aandacht moesten brengen. Meest opvallend was de Super Estelle. Daarbij kreeg je als koper af fabriek sportvelgen, brede banden, een vinyl dakje en nog wat opsmuk. Het hielp de verkopen weer ietsjes op de been, maar het kwaad was eigenlijk al gedaan. De smet op het imago van de auto’s met de achterwielaandrijving uit Mlada Boleslav zou nooit meer helemaal verdwijnen, al lag er in de toekomst gek genoeg nog veel succes te wachten op ons dealers. Maar intussen moest er wel hard gewerkt worden om de schoorsteen in het dealerbedrijf te laten roken natuurlijk. Wij deden ons best om met de drie merken die we voerden door te gaan op de ingeslagen weg, maar de verkopen daarvan daalden toch gestaag. Intussen werd wel duidelijk dat we het met Dacia niet zouden redden. Die wagens bleken niet alleen te duur, maar ook te onbetrouwbaar. Dat merk zetten we dus al kort nadat we er dealer van waren geworden aan de kant.

De Polen op hun beurt haalden een truc uit door een aanvulling op het gamma aan te kondigen die in vele uitvoeringen leverbaar zou worden, zelfs met een dieselmotor. De FSO Polonez heette het ding en hij oogde op de eerste plaatjes die we er van zagen indrukwekkend. Die Poolse Fiats hielden we dus nog maar even aan. En omdat we in onze bedrijfsvoering wat veranderingen wilden doorvoeren werd mijn houten showroom uit begin 1977 voorbestemd werkplaats te worden voor een van onze gespecialiseerde afdelingen in auto-elektra, en kreeg ik een deel van het oudste pand, stammend uit 1932, vlak naast de doorgaande weg, waar een showroom werd ingericht voor drie auto’s, inclusief gezellig zitje en een informatiebalie met barkrukken. Mijn kantoor kwam achter deze showroom te liggen en zat daarmee in feite onderdak in een houtopslagloods van de buren.

Een voordeel was dat het toilet voor medewerkers en klanten er net naast lag, maar nadeel was dat onder het kantoor een waterafvoer liep. Het bleef een vorm van ontberingen ondergaan daar in dat Amsterdam-Zuid. Maar de ‘nieuwe showroom’ had tenminste wel verwarming, was voorzien van een harde vloer, en ik kon redelijk eenvoudig een beroep doen op mijn werkplaatscollega als er weer even te grote drukte heerste in de verkoop om dat met slechts een enkele man aan te kunnen.
Net klaar met deze verhuizing stopte er een half jaar later voor onze deur een kleine, wonderlijk gevormde auto. Twee heren in keurig pak stapten de nieuwe (..) showroomdeuren binnen en stelden zich enthousiast voor als vertegenwoordigers van een nieuw Koreaans automerk, Hyundai. Of wij er iets in zouden zien om dat voor hen te gaan verkopen in Amsterdam. Na een proefrit en bestuderen van de afgegeven informatie besloten we op dat verzoek in te gaan. Een jaar later waren we dus dealer voor Hyundai. Samen met nog wat Amsterdamse bedrijven die dit ook hadden gedaan, waaronder een van onze intussen naar Zuid-Oost verhuisde Skoda-collega’s. Het werd druk…vooral omdat we al die merken ook ergens op het nieuwe briefpapier kwijt moesten. Wordt vervolgd! (Afbeeldingen: Yellowbird Photo/Skoda – Alle teksten eigendom van de auteur)

Nicola Walker – Ingetogen acteren…

Pas onlangs ontdekten wij de geneugten van de Britse Tv-zender BBC First. Niet alleen omdat men daar zoals gewoonlijk goede series en films brengt, maar ook omdat men zich met deze zender richt op het Europese publiek, meer met name ook, het Nederlandse. Aardige en soms ook best wat flauwe series komen er ondertiteld voorbij, maar een van de toppers was de serie Split waarin o.a. de Nederlandse acteur Barry Atsma een leuke rol vervult. De hoofdrol van deze serie die zich afspeelt in de Londense advocatenwereld, is voor een actrice die ik echt graag een keer zou willen ontmoeten bij een Cuppa Tea. Nicola Walker heet de dame en haar grote kracht is, zo hebben we door de jaren heen ontdekt, vooral gezichtsuitdrukking en het vrijwel altijd aanwezige gebrek aan overdreven volume bij het spreken. Haar acteerprestaties zijn op het hoogste niveau en haar blikken die altijd iets melancholieks of droevigs in zich dragen uniek en ongekend.

Welke rol ze speelt, en ze speelde er tientallen in films van naam of Tv-series, het is spot-on en bingo qua emoties. Het liefst speelt ze karakters met een levensprobleem. Een katholieke pastor met een actieve lesbische verhouding die niet mag van de kerk maar wel wordt gedoogd. Of in die genoemde reeks een advocate die valt voor hunk Barry, intussen grote zaken moet winnen en ook de familie bij elkaar moet houden. Nergens geschreeuw of geblèr, nergens over-acted, alles binnen grenzen. Soms denk je wel eens dat Mrs. Walker zichzelf speelt. Vandaar die behoefte haar eens te ontmoeten. Ze is overigens keurig netjes getrouwd en heeft een zoon hoor, dus geen rare gedachten. Daarbij is ze van 1970 dus ook nog wat piep i.v.m. uw toch inmiddels wat oudere Meninggever.

Grappig is om terug te lezen dat haar ouders een totaal verschillende opinie bezaten rond haar wens om te gaan acteren. Haar moeder vond dat een goed plan, haar vader juist het tegenovergestelde. Als je ziet in welke films en series ze speelde en ook nog eens wat ze op het toneel allemaal deed, is het bijna ongelooflijk dat wij haar in ons land maar nauwelijks kennen. Nou ja, uit een enkele detective-reeks of uit die eerdergenoemde reeksen bij BBC First of Netflix. Dat gezicht is meteen bekend als je haar ziet.  Althans voor mij wel. Omdat het ook net lijkt of zij totaal nooit is opgemaakt. Of haar lokken de kapper maar nauwelijks zagen en haar kledingkast min of meer te vinden is bij de lokale kringloopwinkel. Maar dat is meteen haar kracht ook. Geen glamour, geen flauwekul, maar acteerwerk op het hoogste niveau. Ík ben fan…..nu jullie nog. Onthoudt die naam….Nicola Walker! Grote ster, maar slechts te zien met een duidelijke kijker….

 

Overdekt terras; Harrels Lelystad!

De provinciehoofdstad van Flevoland is nog altijd Lelystad. En dat is niet meteen een garantie voor grote aantrekkingskracht. Maar als je er in de buurt bent omdat het Aviodrome (zie blog 31-07 jl)je lokt en je ook nog even een rondje kringlopers deed om links en rechts nog wat aardigs te scoren voor je collectie, krijgt de trek in iets eten of drinken je vanzelf te pakken. In het voor ons nieuwe overdekte winkelcentrum Lelycentre zochten en vonden we een plek om even onderuit te zakken. Dat kon goed bij Harrels daar. Gevestigd naast de Kik-winkel en tegenover een Bijbelse boekhandel zit je er op de gemakje en wordt er geweldig bediend. Aardige dame, dito kok. Gerechten heet en lekker, net als de thee. Ik kan over thee serveren een hele verhandeling houden maar heb een paar opmerkingen daaromtrent even opgenomen in dit verslagje. Bij veel tentjes waar je neerstrijkt serveert men soms de meest wonderlijke theesoorten, maar gewone normale ontbijtthee lijkt wel op de bon soms. Earl Grey is dan het meest in de buurt komende alternatief.

En dat is best klantonvriendelijk als je voor een bakkie thee gemiddeld toch al snel 2 euro of meer betaalt. Bij Harrels geen thema, gewoon lekkere thee die men zelf al in een zeefje in de thee stopt waardoor je al snel ziet dat het water verkleurt. Top geregeld. Een tweede voorwaarde, en dat heeft met dat verkleuren van doen, is dat het water heet genoeg is om de thee te doen trekken. Ook daarover vaak klachten, maar niet hier. Deze Lelysteedse horeca-ondernemer heeft zijn/haar zaakjes voor elkaar. Geldt ook voor de  uit de prachtig verzorgde menukaart bestelde hapjes. Helemaal top en goed betaalbaar. Daarbij zit je hier prima in een rustige ambiance. Voor de prijs/kwaliteitsverhouding moet je het zeker niet laten. Je moet er even naar zoeken wellicht, wij kenden dit centrum helemaal niet, wel het andere dichtbij het station van Lelystad. Maar hier in Lelycentre heeft men naast de nodige aardige winkels ook deze goede diensten aanbiedende horecazaak. Aanrader met een rapportcijfer 9.0!! Zeer verdiend.