Leven met de vliegende pijl – 9 – Hundie!

In die jaren waaraan ik nu even refereer, zo tussen 1980-82, verging het ons dealerbedrijf dus wat minder goed. We waren dealer van het Tsjechische automerk met die lange traditie, maar de bevooroordeelde pers fakkelde zowat bij elke rijtest alles af wat die Tsjechen zoal produceerden. Dat was wellicht voor een deel nog te verklaren, maar het werd me een aantal jaren later duidelijk dat er indertijd achter de schermen ook wat rekeningen werden vereffend met vertegenwoordigers bij de toenmalige importeur door de mannen die zichzelf zagen als ‘goden’ in dat vakgebied. Het zichzelf autojournalist noemende volk had ook commerciele belangen. Geen advertenties, geen goede pers! Zo simpel was het. Als dealer moest je intussen toch wat, dus we zochten naar expansie via andere kanalen. En op dat moment in de tijd kwamen we dus in contact met dat automerk wat we nu, anno 2018, allemaal zo goed kennen. Ik had er indertijd zelf nog nooit van gehoord toen de eerste vertegenwoordigers van wat later de importeur zou worden, voor ons bedrijf stopten.

Het bordeel paarse interieur en de beperkte binnenruimte nam je uiteindelijk dan maar op de koop toe. We zagen er toch wel iets in en gingen in zee met de nieuwe importeur. Die was zelf gezeteld in een piepklein kantoor achter een caravanhandel in Leidschendam, maar de sfeer was er goed en de service vriendelijk. Al snel stonden de Koreaantjes in onze showroom en reden we rond in een demonstratiewagen. Wat lastiger bleek, voor de meeste Nederlanders was die naam even onbekend, maar meteen ook onuitsprekelijk.

Wij zelf maakten er Hie Joen Dai van, maar onze collega-dealer in Amsterdam-Centrum noemde zijn nieuwe merk Joen Dee en de Koreanen spraken het uit als Oendee of zo. Gelukkig heette dat eerste model dat ze jaren zouden voeren gewoon Pony en dat was voor veel mensen wel uit te spreken. Tot die ene keer dat er een plat Amsterdams sprekende potentiele koper binnen stapte en mij op luide toon vertelde dat hij wel eens wilde proefrijden in een ‘Hundie Ponnie’. Kijk, toen wisten we dat er nog heel veel werk te verrichten viel. Het succes en zeker de winst werd ons uiteindelijk niet gegund met en door Hyundai. De match was er na een paar jaar niet meer toen het merk naar een nieuwe importeur overging en die daarop aan het redelijke grote dealerkorps van die eerste paar jaar zulke eisen stelde dat wij daaraan gewoon niet konden maar vooral ook niet wilden voldoen. Intussen waren we wel veel wijzer geworden. En ik leerde zelf in die jaren dat als je klanten iets wilt verkopen de naam van het merk tenminste herkenbaar en uitspreekbaar moet zijn en de communicatie op dit punt overduidelijk. Maar als pioniers waren we daar toen nog lang niet zo mee bezig. Maar mijn creativiteit op marketinggebied wel gewekt. Wordt vervolgd op 09-09 a.s. (Foto’s: Yellowbird Photo – Alle teksten zijn eigendom van de auteur) 

 

Mini-Rusje….de Oka!

Had ik het vorige zondag over een auto uit de Oekraine die we hier zelden of nooit hebben gezien, dit keer ga ik het met u hebben over een mini-autootje uit Rusland, de Oka. Een auto die vergelijkbaar was met de uit Japan afkomstige Suzuki Alto, Daihatsu Cuore of soortgelijke karretjes. Hier gezien als regionale auto’s met veel ruimte en een relatief groot vermogen, in Rusland in eerste instantie toch aangeduid als invalidenwagens. Dat kwam voort uit het tijdperk waarin ze werden ontwikkeld. Toen was nog sprake van de Sovjet-Unie en binnen dat grote land was een echte auto toch groot en zwaar en kon tegen een stootje. De Oka werd aan het begin van de jaren tachtig ontwikkeld en kwam als opvolger op de markt voor een onaantrekkelijk vehikel dat als S03D bekend stond. De nieuwe Oka kreeg een tweecilinder motor voorin (in feite een halve Lada-motor) en kreeg voorwielaandrijving wat in de Sovjet-Unie een primeur was.

De styling van de Oka was gebaseerd op die van de toenmalige kleine Fiat’s en die eerder genoemde Japanse kei cars, wat zorgde dat het ding er aardig modern uitzag en van binnen ruimte bood aan twee volwassenen met twee kinderen op de achterbank. Grappig genoeg bedachten de ontwerpers van de auto dat ze geen schijn van kans maakten tegenover de concurrentie, maar toen men na afloop van de productie de balans opmaakt bleek dat er een dikke 700.000 Oka’s waren gebouwd en verkocht. Daarbij werd er al in 1989 een elektrische variant uitgedacht die jarenlang de enige in serie gebouwde elektrische auto ter wereld was. Met volle batterijen reed je er anno 1989 al 100km ver mee. De Oka werd uiteindelijk gebouwd in de fabriek van VAZ, dezelfde die ook Lada’s produceerde. Vandaar dat de kleine auto een tijdlang onder dat logo (Lada) werd uitgebracht.

Later werden ze gebouwd op andere plekken in de Sovjet-Unie zoals gebruikelijk in de autofabricage van dat grote land. Ook in Azerbaijan zette men de Oka in elkaar. De Oka werd gebouwd tot 2008 en toen zaten er intussen Chinese tweepitters onder de kap die voldeden aan de Euro2 normen. Afgeleide versies verschenen er ook van. Zoals een Pickupje en een versie met een dichte laadbak achter. De laatste uitvoeringen haalden 125km/u, hadden 33 pk’s beschikbaar en verbruikten een keurige liter benzine op 27 km gereden afstand. Geen wonder dat die kleine dingen best populair waren in het thuisland en aanverwante staten. Mij is niets bekend over eventuele export van Oka’s naar het westen. Gek genoeg kwam ik ze ook nooit tegen in de landen van het vroegere Oostblok. Kennelijk waren daar de eigen fabrikaten veel populairder. Jammer eigenlijk, want die Oka was best een bijzonder ding. Maar intussen zijn we hem helemaal vergeten. Tot ik er tegenaan liep en dacht dat het wel aardig zou zijn om er wat over te schrijven hier. U wilt me wel vergeven…(Beelden: Internet)