Leven met de vliegende pijl – 19 – Nieuwe neuzen!

Ergens in de jaren tachtig werd duidelijk dat de tot dan geleverde Skoda-modellen met worm en rol stuurinstallaties en de nog uit de jaren van de 1000MB stammende bumpers toe waren aan een facelift. Een stevige meteen die ergens in 1984 werd ingezet. De toenmalige Skoda’s kregen een totaal nieuwe neus, kunststoffen bumpers, andere binnenbekleding, en een veel beter aanvoelende tandheugelinstallatie voor de bestuurde wielen van de luxere modellen. Doordat die wielen ook wat verder uit elkaar werden gezet, verbeterde de wegligging opmerkelijk, al werden die wagens in die jaren nooit echte liefhebbersauto’s. Maar voor de gemiddelde Skodakoper, vaak afkomstig uit andere wat goedkopere merken, was dit een enorme stap vooruit. Daarbij kwam nog eens dat naast de serie 105/120 nu ook een 130 werd geleverd, die o.a. positief opviel door een zelfde achterasconstructie als de aloude Rapid Coupe.

En om het nog mooier te maken kwam er ook een S130G Coupe, die ook weer als Rapid in de prijslijst verscheen en geweldig reed. Door de 1300cc motor was het ook bepaald een vlotte wagen die flink wat nieuwe klanten wist te trekken voor het merk. De kritieken vanuit de autojournalistiek werden er, als verwacht, niet meteen veel beter door, maar men werd wel iets milder in het oordeel. De Skoda’s stuurden veel fijner, het geluidsniveau in het interieur was, mede door een voor sommige modellen beschikbare vijf-versnellingsbak, verlaagd, en die nieuwe neuzen zorgden voor een sterk gemoderniseerde blik. De verkopen bleven op niveau, ook bij ons in het dealerbedrijf, al zochten we wel als managementteam van het dealerbedrijf naar verbreding van het totale gamma. Juist voor klanten die ‘iets anders wilden dan een Skoda’. En dat waren er best veel…. Maar voorlopig had Skoda weer een paar jaar haar zaakjes voor elkaar en het moet gesteld, de kwaliteit was nu op behoorlijk peil voor een fabriek uit die streken. Wordt vervolgd! (Beelden: Yellowbird archief)

Gesloten gordijnen…

In onze straat wonen vooral keurige Nederlandse of goed geintegreerde mensen van elders met de daarbij behorende typische gewoonten. Jong, oud, man, vrouw, gezin of gepensioneerd. Alles door elkaar heen en vooral rustig en harmonieus samenlevend. Zoals we dat in dit land graag zien en beleven. Overdag is men geneigd met elkaar een praatje te maken, men komt af en toe eens bij elkaar op visite en bepraat dan de situatie in land, stad of wijk. Maar over een ding zijn we het over het algemeen helemaal eens. Als het donker wordt en de lichten in huis aan moeten gaan de raambedekkers dicht. We genieten van rust in huis, voelen ons veiliger achter gesloten gordijnen of wat daar tegenwoordig als alternatief voor wordt aangedragen en maken het juist in dit donkere jaargetijde gezellig. Ooit was dit totaal anders. De Nederlandse huizen stonden erom bekend dat de ramen altijd doorkijkjes boden richting interieur en mensen die daarin leefden.

Een rondje door je eigen woonwijk maakte al snel duidelijk dat we met zijn allen veel deelden, alleen de smaak is of was een lastige. Maar verder? Tuurlijk zijn er uitzonderingen. Altijd is wel ergens een gordijn vergeten. Toen ik met mijn hondje nog het laatste rondje van de dag liep kwam ik ze nog wel eens tegen. Huizen met alle lichten aan, maar de inkijk voor de volle 100% gegarandeerd. Met soms wondelijke observaties als gevolg. Maar het sterft uit. We beplakken de ramen nu met folie voor overdag en sluiten de boel af als het dus donker is. Vreemd? Nee! Je kunt nu eenmaal niet meer pronken met de veren die je door de jaren heen op je bestaan deed groeien. Het is te link. Ratten en kakkerlakken lopen ook rondjes en kijken waar iets te halen valt. Juist in die wijken waar mensen die ramen lekker open te kijk stellen opdat je weet welk merk en type flatscreen er staat of welke smartphone voor het grijpen op tafel ligt. Opsporing Verzocht doet de rest.

Kijk eens naar een aflevering van dat programma en je doet een slot extra op je voor- en achterdeur. Nederland verliest daarmee haar kenmerkende karakter. Bij ons zelf was dit gedrag al veel langer gemeengoed geworden. We woonden ooit in de Bijlmermeer en daar was ieder flat zo’n beetje Fort Knox! En niet ten onrechte. Opslagboxen, auto, bergkamers, en uiteraard de flat zelf, alles moest het ontgelden. Voor de lieden die dat inbraakwerk deden was het naar eigen verklaring een bron van inkomen, voor de huur betalende bewoners een en al ergernis en meteen ook stress veroorzakend. De nieuwe samenleving stelde zich in die jaren aan ons voor en verliet ons daarna nooit meer. Het naïeve denken van de jaren 60 maakte plaats voor het realisme van de jaren tachtig en daarna. In onze huidige woonstraat is niet zo lang geleden een leuk jong stel met twee kinderen komen wonen. Fransen, Italianen, niet geheel duidelijk. Wel tweeverdieners met een goede baan bij een paar grote bedrijven. En die laten de hele dag en avond hun ramen onbedekt. Zoals het volgens hen hier te lande vermoedelijk hoort. Een gidsland op dit gebied. Zal na een onverhoopte slechte ervaring wel over gaan. Maar verfrissend is het allemaal wel….(Beelden: Yellowbird photo/archief)

 

Nauw verbonden met de hoofdstad…maar niet altijd liefdevol..

Een van de grootste buurgemeenten van Amsterdam is Nieuwer-Amstel. Nu nog vooral bekend door de grote kern Amstelveen die het centrale bestuur van die gemeente vertegenwoordigt, maar vroeger toch vooral door het enorme uitgestrekte gebied waarin water en agrarische vormen van bestaan het meest belangrijk waren. Het gebied bestond vooral uit de stroom van de Amstel, aftakkingen, veenpolders en plassen en er woonden dan ook relatief weinig mensen. Maar de gemeenschap op zich was na het nog wat langer bestaande Ouder-Amstel, flink ouder dan die in Amsterdam. Anders dan in het drukke Amsterdam ging het leven nog vrij lang zijn gang op een bijna Middeleeuwse manier. Als je ziet hoe uitgestrekt dat gebied indertijd was en hoeveel inspanningen men deed om dat gebied min of meer droog te malen en ook bewoonbaar gte maken en te houden, overvalt je toch een gevoel van bewondering. Nieuwer en Ouder-Amstel zijn overigens nog steeds onderdeel van het grotere gebied Amstelland, maar daartoe behoort Amsterdam uiteindelijk ook.

De vele polders van Nieuwe-Amstel reikten tot ver in de omtrek. Bedenk maar dat Amsterdam in feite werd omsloten door haar grotere buurman in oppervlakte. En dat gaf voor de stedelijke bestuurders van de steeds groter worden buurstad gretige blikken op dat omliggende gebied toen Amsterdam steeds meer behoefte kreeg aan uitbreiding van haar woonwijken. Opvallend is dat langs de boorden van de Amstel door Nieuwe-Amstel werd gebouwd op plekken die we nu als Amsterdam beschouwen. Maar na een stevig staaltje landjepik door Amsterdam buiten haar eigen ‘Veste’ kwamen bijna 12.000 inwoners van de buurgemeente ineens in Amsterdam terecht, maar ook het werkelijk schitterende raadhuis van de gemeente dat Nieuwer-Amstel speciaal had laten neerzetten langs de Amstel om nog even aan te tonen van wie dit gedeelte van de Amstellandse polder eigenlijk was. Amsterdam bouwde de straten van haar nieuwbouwwijk Zuid overigens precies langs het patroon van de oude poldervaarten en als je daar nu rondloopt zie je ook dat die straten soms kilometers lang en kaarsrecht verlopen, of ergens halverwege een nauwelijks te verklaren verhoging van het straatniveau kennen. Alles van doen met die oude poldersituatie waar ook dijken moesten worden overwonnen.

Overigens kreeg Nieuwe-Amstel wel wat compensatie voor dat inpikken van polders en land. Later werd dat nog eens gedaan toen Amsterdam de Buitenveldertse polder benutte voor de bouw van flats en dure koopwoningen voor mensen die in de jaren 50/60 wat meer luxe wilden. Eerder al was een deel van de aan het Nieuwe Meer grenzende polderland omgevormd tot het Amsterdamse Bos. Ook de Bijlmermeer kwam op deze manier in handen van de hoofdstad. In latere jaren kreeg Nieuwer-Amstel zelf meer aanzien. Amstelveen werd uitgebouwd met dank aan de groei van Schiphol en de behoefte van met name welvarende joodse inwoners om in het groene land een woning te verwerven.

Afspraken met KLM en Fokker maakten dat Amstelveen intussen ook een stevige gemeente is geworden. Bovenkerk en Nes aan de Amstel behoren bij het huidige bestuursgebied van de gemeente. Van het polderland is nog maar weinig over al is het ten zuiden van Amstelveen tot aan Uithoorn nog steeds relatief open gebied. Intussen breidt Amsterdam toch weer uit richting de buurgemeenten. Men bouwt het groene landschap langs de Amstel (Amstelscheg)wat tot haar grondgebied behoort gewoon dicht. Over een jaar of 15 is dat een aaneengesloten bebouwd gebied. Jammer, maar helaas.

En de buurgemeenten profiteren mee van die bouwzucht. Voor hen die nog even naar de geschiedenis van die 19e eeuw willen kijken, langs de Amsteldijk op de hoek van de Tolstraat staat nog steeds dat fraaie oude stadhuis van die buurgemeente. Ingeklemd in de Amsterdamse bebouwing. Nu een hotel, voorheen het Stadsarchief van de gemeente Amsterdam. Hoe wrang kan het gaan. Ook op bestuurlijk niveau. En voor stadsgrenzen moet je ook goed uit je doppen kijken, want op veel punten zijn de twee buren fysiek echt met elkaar verbonden..(Beelden: Yellowbird fotoarchief)

Leven met de vliegende pijl – 18 – Tussentijdse ontwikkelingen…

Terwijl de fabrieken in het Tsjechische land dus relatief grote aantallen van die sinds 1970 gebouwde Skoda’s uitspuwden werkten technici aan hele series nieuwe ontwikkelingen die halverwege de jaren zeventig de opvolgers zouden kunnen vormen voor de zo om hun wegligging (motor achter) bekritiseerde S100-110 modellen. Soms deed Skoda die ontwikkeling alleen, dan weer in combinatie met de Oost-Duitse fabrikanten EMW Wartburg en Sachsenring Trabant. Die laatste merken hadden weliswaar wagens met voorwielaandrijving in de aanbieding, zij misten expertise op het gebied van viertaktmotoren en goede versnellingsbakken die de Tsjechen nu net wel bezaten. Prototypen van erg aardige modellen voor de toekomst verschenen zowel in de DDR als in Tsjecho-Slowakije. Die toonden aan dat Skoda in beide landen technisch de touwtjes aardig in handen kon krijgen als de politieke leiding van beide communistische staten durf had gehad op dit punt.

Die bleek echter niet voorhanden en alle pogingen om moderner auto’s te bouwen moesten van de hoge communistische leiders in die staten worden gestaakt. De Oostduitsers gingen daardoor gewoon door met hun pruttelende tweetakts en Skoda zocht naar een ultiem model dat de oude reeksen zou kunnen opvolgen. Daarbij maakte men gebruik van ontwerptekeningen voor een grote middenklasser die men ergens in 1974 had uitgetest. Een wagen met een 1400 of 1600cc motor voorin en de aandrijving op de achterwielen. Groot, ruim en comfortabel. Hoekige lijnen en bij sommige van die ontwerpen een opvallende hop-up bij de c-stijl zorgden voor een lekker modern uiterlijk. Omdat al die ontwikkelingen smoorden in politieke onwil bleef men bij de fabrikant zitten met veel frustraties. Die werden nog groter toen werd besloten dat om kostenbesparende redenen de opvolger voor de S100-110 reeks technisch gebaseerd moest blijven op die toen geproduceerde modellen. Skoda schoof daardoor inventief als Tsjechen zijn, twee zaken maar over elkaar heen. Slim wellicht, goedkoop zeker, maar eigenlijk ook wel wat achterhaald.

Men nam de carrosserie van die middenklasser, vijlde dat ontwerp links en rechts bij en hing er de techniek van de 100/110/serie onder en achterin. Waarbij de basismotor iets werd opgevoerd, net als die van het grotere luxe model. 1050cc en 1200cc werd de cilinderinhoud en men verzon het al eerder genoemde technisch wat risicovolle koelingssysteem met radiator in de neus en pijpen en slangen richting motor achterin. De nieuwe wagens kregen een opmerkelijke kofferbakklep, die naar opzij opende. Dat deed men om veiligheidsredenen. Immers, een normale koffer- of motorkap kon soms onder bepaalde omstandigheden aardig vervelende verwondingen of erger verzorgen bij inzittenden als een auto als deze frontaal botste. Door die zijwaarts openende kofferklep werd dat risico met ruim 50% verminderd. Maar het bleef wel raar staan als die klep open stond. De kofferbak zelf was door een wat slimmere constructie flink groter en het interieur schoot er een heel stuk op vooruit. De wagens waren ruim genoeg voor een gemiddeld gezin, waarbij je dan ook nog doorklapbare achterbanken kreeg met extra bergruimte achter de rugleuningen van de achterbank. Een doordachte auto, alleen die wegligging…….. Wordt vervolg! (Beelden: Yellowbird collectie/archief/Skoda)

Warrig en sexy, Suranne Jones!

Je zou haar kunnen kennen uit de bekende politiereeks Scott & Bailey die al een paar jaar ook op de Nederlandse zenders wordt gedraaid. Maar haar oeuvre is een flink stuk groter, ook al moet je dan wel even zoeken op Netflix of BBC One. Een echt geweldige rol speelt ze in Doctor Foster, een reeks over een vrouw die niet alleen huisarts is maar ook moeder en echtgenote van een man die niet wil deugen. Dat verhaal zorgt voor een geweldige serie die in 2017 een vervolg kreeg en waarvoor men een derde overweegt. Ik heb het over de Britse actrice Suranne Jones (40) die haar eerste bekendheid kreeg in de bekende reeks Coronation Street. Een vrouw die er uit ziet of ze naast haar rol in de series en films waarin ze acteert ook nog even de was en slaapkamers van de studio doet. Maar ook expliciete seks uitstraalt. Beetje onverzorgd, maar wel sexy.

En een gezicht dat duizend uitdrukkingen kent. Gepokt en gemazeld in het acteurs vak. Winnares van grote prijzen in haar vakgebied. Intussen speelt ze weer in tv-series als Save Me en Gentleman Jack. Haar manier van acteren weer heel anders dan die van de eerdergenoemde dames in dit vakgebied. Altijd wat warrig aandoend, maar vastberaden als het er op aankomt. Zij heeft ook in haar normale leven een heerlijk ironische manier van tegen de dingen aankijken. Zoals wanneer ze het heeft over haar eerste herinneringen uit haar jeugd. Dat waren koeien die bij hen thuis door de ramen naar binnen keken. Verwijzing naar haar opvoeding op het Britse platteland. Op school voelde ze zich altijd anders dan de rest en ze werd dan ook uitvoerig gepest. Zit daar dan haar verbeten blik en aanpak van sommige rollen in?! Ze ging pas echt leven toen ze kon gaan acteren.

Het is haar passie. Haar liefdesleven is pas onlangs tot rust gekomen toen ze trouwde met een scriptschrijver en redacteur waarmee ze in 2016 een zoon kreeg. Als ze even niet hoeft te acteren is ze zeer actief in de wereld van liefdadigheid t.b.v. goede doelen. Niet in de laatste plaats omdat haar moeder ooit werd getroffen door borstkanker en dat een enorme stempel op haar leven zette. Suranne Jones is er ook weer zo een om in de gaten te houden. Heerlijke actrice, geen plastic fantastic zoals je zaak in de VS ziet, maar gewoon down-to-earth acteren. Wat de karakters die ze speelt zo levensecht maken. Herkenbaar ook. En als ik dan in het verlengde die reeks Doctor Foster mag aanbevelen?! Kijk dan meteen naar haar gezicht en snap wat ik bedoel met mijn verhaal…(Beelden: Internet)

Museale tram en bestuurlijke bedreiging..

Los van mijn meer bekende interessen op het gebied van luchtvaart en auto’s heb ik er nog een. Trams! Met name de soort die in onze hoofdstad rondreed en nog rijdt. Trams maakten zo lang ik al leef al deel uit van mijn observatorische gestel en ik heb er heel wat ritjes in doorgebracht. Van de oude blauwe trams met hun open balcons tot de moderne Combino’s. Een prima vervoermiddel dat je met een redelijke snelheid dwars door onze mooie stad heen brengt naar plekken waar je eventueel iets wilt bezoeken. Anders dan je zo vaak ziet in ons land waar het industrieel erfgoed betreft hebben we met die trams kennelijk nog wel iets, want elke grote stad met een tramwegennet heeft ook wel een of andere vorm van museale tramverzameling. En zeer terecht. Vrijwilligers werken zich vaak in het zweet om die uitgerangeerde wagens weer helemaal in nieuwstaat te brengen en oudgedienden brengen die fraaie ontwerpen dan weer op de rails. Een enkele keer op het stedelijke net, maar in Amsterdam ook op een eigen trace dat is aangelegd op het oude stoomtramspoor tussen Amsterdam Haarlemmermeerstation en Bovenkerk, net ten zuiden van de stad.

Duizenden mensen per jaar jaar vervoert men met die oude trams en dat is voor iedereen een plezierige beleving. Maar zoals zo vaak zijn bestuurlijke wegen soms ondoorgrondelijk. Het intussen tot een museaal spoorbedrijf omgevormde tramvereniging heeft een stel oude loodsen beschikbaar waar men al pakweg 40 jaar lang onder relatief primitieve omstandheden de oude trams onderhoudt. Daardoor raken die kwetsbare trams niet verloederd wat in open opslag direct op de loer ligt. Maar het terrein achter het ook al zo kenmerkende en museale station van de club is voor projectontwikkelaars goud waard en ook groenlinkse bestuurders zijn niet vies van een beetje geld verdienen. Men wil de grond gewoon verkopen en daar dan woningen neerzetten die in de huidge tijd goud opleveren. Maar ja, die trams en hun vrijwilligers dan??

Nou die moeten volgens die progressieve politici gewoon weg. Dus neem je ze eerst een stukje gemeentelijke subsidie af. We zullen ze leren! En daarna ga je vertellen dat de huur op hun onderkomen wordt opgezegd. Ze moeten opkrassen. Heen en weer rijden mag, maar opslaan niet. Deze kortzichtigheid van de stedelijke bestuurders in het Kremlin aan de Amstel zorgt toch voor enige paniek onder de mensen die genieten van die oude trams. Al eens eerder werd een oude remise van een andere club op dezelfde wijze ontmanteld en de collectie raakte daardoor heel snel in verval. Maling aan het verleden, lang leven de groenlinkse toekomst. Maar hoort een elektrische tram daar nu net niet bij dan?! De tramliefhebbers hebben intussen steun gekregen vanuit Amstelveen. Daar ziet B & W maar ook de Gemeenteraad wel het nut of de noodzaak van die museumtrams. Nu nog eens zien dat men wellicht daar een loods kan bieden om die unieke trams onder te brengen. Lukt dat niet wordt het wel erg lastig allemaal. En verdwijnt wederom een stukje van onze geschiedenis door kortzichtigheid van de politiek! Wil men dat stigma? Ik mag hopen van niet…… (Beelden: Yellowbird archief/internet)

Leven met de vliegende pijl – 17 – Praagse Lente

Het communisme was en is een totalitair systeem en hoewel de Tsjechische bevolking zich ooit in 1948 democratisch (..)had uitgesproken voor dat systeem, bleek het in de praktijk erg restrictief. Socialisme en communisme houden niet zo van individualisme, van persoonlijke vrijheden of de hier zo gekoesterde vrijheid van meningsuiting. In een aantal buurlanden had dit al geleid tot protesten, in de meeste gevallen werden die in de kiem gesmoord door een marionettenregering die precies deed wat men in Moskou had uitgedacht. De revolutie van 1956 in Hongarije lag nog vers in het geheugen van de naar vrijheden snakkende Tsjechen toen zij halverwege de jaren zestig werkten aan een versoepeling van de maatschappelijke en culturele regels om zo een iets plezieriger leven te kunnen leiden. Dit bracht zelfs een nieuwe regering aan de macht die de communistische doctrine verzachtte en zelfs sprak van onafhankelijke vakbonden en meerpartijenstelsels. Een politiek doodvonnis, want in Moskou en de omringende satellietstaten keek men met argusogen naar de zgn. ‘Praagse lente’.

Men was bang voor het domino-effect als de Tsjechen zich op het westen zouden oriënteren en niet meer op de moederpartij in het oosten. In augustus 1968 vielen troepen van het Warschaupact dan ook Tsjecho-Slowakije binnen. Daar riep men stakingen uit, belegde bijeenkomsten waarbij de Russische soldaten met woorden door de lokale bevolking te lijf werden gegaan. Het mocht niet baten. De Tsjechische regering werd naar Moskou afgevoerd, een nieuwe regering onder de hardliner Husak gevormd en het land teruggeworpen naar de ijzige periode van voor de Praagse Lente. Deze enorme dip zorgde ook voor een terugslag in de creativiteit bij de verschillende bedrijven die het land kende. Veel managers en arbeiders werden om politieke redenen gearresteerd en buiten de maatschappij geplaatst. Veel slimme en soms goed opgeleide Tsjechen waren hun land ook ontvlucht. Ook bij Skoda had men te maken met een flinke aderlating op dit gebied en men moest dus wel een pas op de plaats maken. Aan de productiebanden bij de fabriek en de toeleveranciers stond ofwel gedemotiveerde arbeiders, dan wel mensen die gedwongen werden dit werk te doen. Het hielp niet bij de kwaliteit van de op dat moment gebouwde wagens. En toch bleef het merk wonderwel goed verkopen. In 1970 werd de 1000MB opgevolgd door een model dat in feite niet meer was dan een faceliftmodel van die wagen, aangeduid als S100/110.

Nadelen van het concept waren niet echt weggenomen, maar de wagens oogden wel flink wat strakker en moderner. Door de prijzen laag te houden en de uitmonstering redelijk bij de tijd, wist men bepaalde doelgroepen van klanten, ook in het westen, wel aan zich te binden. Het gamma kende basis en luxe uitvoeringen en naar gelang je meer geld over had voor je vervoer, verschilde de bekleding en de motorisering wat van elkaar. In Nederland trachtte men de verkopen nog wat extra op te krikken door de vlot ogende TS-uitvoering, waarbij je een 110L kreeg met opvallende oranje lak en stevige breedstralers op de neus en wat fraaie striping voor een sportiever uiterlijk. Het hielp weinig omdat de wagens ondanks fraaie velgen en bredere banden, nog steeds niet veel sneller reden dan pakweg 135km/u. Dat deed men bij Simca met de bekende Rally-uitvoeringen in die jaren flink beter. Maar de ontwikkeling van de Skoda Coupe, officieel de S-110R, was weer wel een succes. Een erg aardige auto die een compleet ander interieur koppelde aan een vlot en gestroomlijnd uiterlijk, ook al stond ook daar nog steeds de relatief kleine 1100cc grote vierpitter achterin zijn 52 paarden te leveren. Toch een mooi gamma dat het zoals al eerder beschreven zou gaan uithouden tot en met 1976. Wordt vervolgd! (Beelden: Yellowbird archief)

 

Mystiek in de lucht verdwijnt..

Toen ik lang geleden voor het eerst begon te vliegen als passagier aan boord van die toenmalige zilveren vogels, was de luchtvaart bepaald nog niet voor iedereen weggelegd. Daardoor had die vervoersvorm nog iets mystieks. Er gebeurden allerlei aan het oog onttrokken handelingen die maakten dat een vlucht iets bijzonders werd. Zo was er het serveren van eten en drinken van een behoorlijke kwaliteit en in hoeveelheden die je nu een kapitaal aan toeslagen zouden kosten. Je kon net zoveel bagage meenemen als een normaal mens nodig had en onderweg was er het nodige vermaak. Niet alleen omdat de dames stewardessen aan boord van een onbereikbare schoonheid waren (er waren altijd uitzonderingen op deze regel..) maar ook omdat men ergens halverwege de vlucht aan de gang ging met de verkoop van allerlei zaken die je dan belastingvrij kon invoeren bij thuiskomst.

Mits je natuurlijk binnen de door de wetgever gestelde regels bleef. Voor vertrek van een vlucht was er trouwens ook een soortgelijke mogelijkheid bij de tax-free winkels op de diverse vliegvelden. Soms een (on)gewenst tijdverdrijf en ik heb zelf zo het een en ander bij elkaar gesprokkeld aan zaken die je al dan niet nodig had of hebt. En die mij als ik er nu naar kijk bijna nostalgisch doen glimlachen over de plekken waar ik die dingen vinden kon. Praag, Zurich, Frankfurt, Londen, Helsinki, noem maar op. In de zilveren vogels met soms ingetogen of wat meer uitbundige kleurenschema’s nam ik nog wel eens een vliegtuigmodel mee voor in de persoonlijke collectie. Voor een relatief laag bedrag. Zo had ik dan een blijvende herinnering aan een carrier die me van A naar B of soms C vloog.

Maar nu blijkt dat deze handel ook al onder druk van concurrentie door internetwinkels wel eens zou kunnen verdwijnen. KLM wil er eigenlijk vanaf zo las ik onlangs in het vakblad ‘Zakenreis’ en heeft daar allerlei redenen voor. Niet in de laatste plaats de teruglopende resultaten van die verkopen. En die zijn niet mis als je ze af zet tegen de flink gestegen aantallen passagiers die met name KLM vervoert. Onze nationale luchtvaartmaatschappij verkocht al even geen sigaretten meer aan boord maar doet nu ook de andere producten in de ban. En dat is toch wel jammer. In de tijden dat vliegen is gedemocratiseerd, bagage wordt gezien als noodzakelijk kwaad, eten en drinken meer gunst dan service zijn geworden, de luxe van het vliegen is omgezet naar busvervoer zonder emoties en we straks omwille van overbodigheid ook de stewardessen moeten gaan missen, was deze vluchtonderbreking toch best leuk. Maar kan ook dat ik door de leeftijd langzaam aan nostalgische gevoelens begin te ontwikkelen hoor. Ben wel benieuwd wie wel eens wat aan boord heeft gekocht en wat dit dan was. Maakt de verhalen meteen illustratief en leuk….Dank bij voorbaat. (Beelden: Yellowbird archief/KLM)

Lipstick en scheren…

Tuurlijk, het ligt vast voor een stukje aan mijn verdorven geest of zo, maar als ik een reclametekst hoor voor een zichzelf als bekend en gerenommeerd trainingsinstituut beschouwend bedrijf die start met ‘Je lipstick zit goed, geschoren…etc’ met verwijzing naar de coachings en trainingen van dat al 70-jarig bestaande scholingsadres, krijg ik toch de indruk dat men iets bijzonders vraagt. Want ofwel men wil moderne vrouwen trekken die zich keurig opmaken, een mantelpakje aan trekken, zaken scheren die glad dienen te zijn, hun hoofdharen piekfijn laten verzorgen door een kapper, zelf kunnen rijden en goed navigeren, op weg zijn naar het ‘nieuwe leiderschap’, dan wel zoekt men bij het instituut mannen die hun talibanbaarden scheren, lipstick op doen en erkennen dat ze ook een vrouwelijke kant hebben. Allebei lijkt me lastig. Dus trekt dat ook mijn nieuwsgierigheid richting de website van die lui. Toch eens kijken wat men zelf uitstraalt. Dat valt niet tegen. De beschreven dames komen uitgebreid in beeld. Dus krijg ik in die geest van mij ter onderstreping mee dat deel-ontharen moet voor een nieuw leiderschap. Men biedt daartoe coachings en trainingen aan, nou ja niet voor dat scheren, al zou dat wellicht nog wel eens een goede optie kunnen zijn.

Nee, voor dat leiderschap. Waarmee het in ons land toch wat minder gesteld is als het vrouwen betreft. Tegen de tijd dat deze zodanig zijn opgeleid dat ze in staat zouden zijn de ladder van de carriere tot de hoogste sporten te beklimmen, raken ze verliefd, verloofd en getrouwd en moeten er vaak kinderen komen. Het glazen plafond kent zo haar grenzen. Opvallend is wel dat die reclamespots inderdaad niet zo op mannen zijn gericht, want de enige man die ik zo snel in beeld kreeg op de website droeg een baard. Zijn leiderschap moet komen van een uiterlijk dat ook een DJ niet zou misstaan. Voor mij komt leiderschap niet alleen uit uiterlijk. Ook moet je naar mijn ervaring beschikken over een enorme empathie, kennis, ervaring en in staat zijn teams van medewerkers mee te nemen op weg naar de gestelde doelen en dat met een duidelijke visie of missie die ergens toe zal leiden. Anders wordt leiden meer lijden en dat zie of zag ik toch te vaak in mijn inmiddels aardig in jaren opgelopen carriere. Velen zijn geroepen, weinigen uitverkoren. Dat je dan een training of coaching volgt om de boel iets bij te spijkeren lijkt me niet zo gek. Mits niet te duur.

Want voor een beetje gewauwel moet je niet te veel geld over hebben. Ik heb ook wat van die sessies meegemaakt. En o jee wat werd daar soms ge-oh’d. N=1 is geen goede adviseur als het gaat om dit soort trainingen. Behalve als blijkt dat de trainer goud heeft verdiend door zelf te doen wat hij anderen wil bijbrengen. En die lui zitten nu net meestal eerder bij van die vage of schimmige wellness-bedrijven die je vooral gouden bergen beloven waarop aan de top de grootste dief van allemaal zit. De bedenker vaak! Hoe dan ook, de reclame viel me op. En als algemeen advies is het in deze vertruttende tijden nog niet zo gek. Niks mis met een beetje verzorging.. toch??? En verder geef ik die reclamejongens achter het spotje alle credits. Want die maakten toch dat ik er over nadacht en jullie met mijn flauwekul kon bezighouden…(Beelden: Archief/internet/Google)

Leven met de vliegende pijl – 16 – De 1000MB

Terwijl de Octavia door de jaren heen flink wat successen wist te behalen op de wereldwijde automarkten, ook deze Skoda kende weer vele varianten die zorgden voor afnemers in diverse doelgroepen, was men in Mlada Boleslav koortsachtig bezig met de planning van een totaal andere auto. Dat zou een model moeten worden met een vrijdragende carrosserie, de motor achterin en vier portieren. Voor het produceren van de nieuwe auto moest ook een totaal nieuwe productiehal worden geconstrueerd en daaraan werd al in 1960 gewerkt. Intussen ging de productie van de succesmodellen van dat modeljaar gewoon door. Naast de bekende sedan en stationcar, de bestelauto en de pick-up, bracht men ook een prachtige cabrio op de markt in de vorm van de Felicia. Een auto die nu, bijna zestig jaar later, een ware en aardig dure klassieker is geworden.

In 1964 schakelde men over. Van de oude productiehallen waar de Octavia werd gebouwd naar de nieuwe waar men begon met fabricage van de 1000MB. 1000 stond voor de motorinhoud, MB voor Mlada Boleslav. Een totaal nieuwe manier van auto’s bouwen, een volledig ander soort auto. Skoda en haar communistisch geschoolde managers van toen volgden naar eigen idee de moderne tijd, verwezen voor het concept naar befaamde wagens met ‘alles achter’ zoals de VW Kever, Renault Dauphine, Simca 1000, NSU Prinz, diverse Fiat’s maar zeker ook naar de in eigen land gebouwde Tatra’s en sommige vooroorlogse eigen modellen. Betaalbare wagens met dit concept hadden volgens de Tsjechische planners dus de toekomst…. De nieuwe Skoda haalde uit het lichtmetalen motorblok 48 pk en het aggregaat kon volstaan met zeer lage octaanbenzine.

Zoals bij voorgaande modellen was ook de 1000MB voorzien van aardige ontwerpdetails. Zo zat het reservewiel weggeborgen in het vooronder, maar moest je een deel van de grille openklappen om er bij te kunnen. Kunststof gebruikte men voor allerlei kunstzinnige details bij het exterieur of aan de binnenzijde. De wagen reed prima, al was een snel genomen bocht door de achterasconstructie (pendelassen)best lastig. Zijwind eveneens! De top was beperkt tot 125km/u. Een latere uitvoering, de 1000MBX had een afwijkende vormgeving, met twee portieren en een wat zwaardere motor, die 52pk leverde. Het werd geen groot succes. De 1000MB was een familieauto en frivoliteiten zocht men niet bij Skoda anno 1967. En zo ging met vol goede moed aan de slag om een steeds groter deel van het nieuwe koperspubliek van de jaren zestig aan zich te binden. Wordt vervolgd (Beelden: Yellowbird/Skoda Museum/Skoda-club CSSR)