Superieur…

Superieur…

De meeste mensen (kijk maar eens in de spiegel) voelen zich aardig superieur aan andere wezens op onze planeet. Of dat nu mensen zijn of dieren. Doordat wij kunnen denken, filosoferen, schrijven, schilderen, ontwerpen, geloven en zo meer vinden we dat we apen, konijnen of beren de baas zijn. Terwijl we in feite allemaal dezelfde voorvaderen hebben. Nu zijn die al een tijdje geleden ontstaan en waren er een paar slimmer dan de andere, maar toch. Ooit liepen ook wij rond met slachttanden, dikke vachten en op vier poten.

We lieten alles lopen wat we uit het lijf kwijt moesten en zagen kleinere dieren als prooi. Opvallend is dat de mens toen hij rechtop ging lopen eigenlijk de minste weerstand had tegen de bedreigingen van dat moment. De meeste zoogdieren zijn namelijk nog steeds vierpotig (of zwemmen in zee rond). Daardoor zijn ze vaak sneller en is het proces van leren lopen door de meeste jonkies een kwestie van uren tot dagen, bij de mens duurt dat als bet mee zit een reeks van maanden. Hoezo superieur? Veel mede-soortgenoten zijn intelligent, hebben grote hersenen, zijn zelfbewust en kunnen op een beperkte wijze gereedschappen in de natuur gebruiken.

Daarbij communiceren ze met elkaar, geven geuren af die door anderen worden opgepikt als ‘gevaarlijk’ of ‘aantrekkelijk’, maken muziek en hebben soms zelfs een soort van eigen taal. De mens is bij die laatste verworvenheid dat wel weer superieur aan de rest. Maar de mens in zijn ontwikkeling tot wat hij nu is heeft ook een aantal fikse remmingen aangeleerd. Zo is de toiletgang bij de meeste mensen een kwestie van doen in een hokje waar we ons echt terugtrekken en niet meer zijn van lekker naast mekaar op een boomstam het bos om ons heen bemesten. We kleden ons ook aan en zijn gewend geraakt aan schoonhouden van de fysieke boel en reinigen van de tanden op manieren die weliswaar hygienisch zijn maar ver af staat van hoe onze oer-voorvaderen dat deden.

Doordat de mens een of ander geloof aan nam werd hij nog meer Master-of-the-Universe en meende dat alles op onze Aarde hem/haar toebehoorde. Dat geloof maakte ons ook onderdeel van een Goddelijke schepping, de evolutieleer pas van later datum. Geloof bepaalde ook hoe wij ons moesten gedragen. Op je geur afgaan voor het liefdesspel is uit den boze geraakt, hoewel we ons bij de kunst van het verleiden wel weer zodanig verzorgen (in de optimale situatie) dat parfum en after-shaves de andere, minder gewenste, geuren dempen.

Niets dierlijks is ons vreemd, maar in wezen zijn we nog steeds gewoon zoogdieren met kleren aan. En als we al op jacht gaan menen we dat andere levende wezens er slechts zijn voor ons vermaak, ons voedsel of wat ook. Opvallend is wel dat wij ons door het geloof veelal hebben vastgelegd in een monogame liefdesrelatie terwijl de meeste zoogdieren die vorm zien als de minst efficiente. Immers voortbestaan van de soort hangt af van een zo groot mogelijke verspreiding van het benodigde zaad. Binnen groepen is men daarbij niet kieskeurig en rommelt er flink op los. Krijg je in een lastige omgeving 10 nakomelingen ben je blij als er 1 of 2 overleven. Dat is bij monogame mensen anders. Die hebben hun leven en zorg zo georganiseerd dat ze die nakomelingen een jaartje of 80 gemiddeld kunnen laten functioneren. Kortom, op sommige punten zijn we echt superieur. Ik kijk soms rond en denk dan ‘woow…wat kunnen wij mensen toch veel’, of ‘ jeminee wat zijn we toch een stomkoppen als we zo bezig zijn met elkaar belagen, of oorlog voeren’. Maar dat is de soort niet vreemd. Wat dat betreft zitten de genen van onze oer-oer-oer-voorvaderen diep in ons verpakt. Maar er over filosoferen mag. Ook iets dat ons onderscheidt van andere zoogdieren. En dat kan best confronterend zijn…toch?

(Beelden: internet)

Armoedemuseum…

Armoedemuseum…

Toen ik onlangs vernam dat de extreemlinks bestuurde Gemeente Amsterdam voor vele miljoenen een ‘Slavernijmuseum’ gaat neerzetten op de kop van het plaatselijke Java-eiland werd ik vervangend boos. Want hoe zeer die slavernij in onze geschiedenis wellicht geen hoogtepunt mag zijn geweest van de christelijke traditie, het is wel al honderden jaren geleden. En excuses of zo meer worden aan de ontvangende kant minzaam geaccepteerd maar men krijgt liever de zelfbedachte en gewenste schadevergoedingen. Gratis Doekoe en zo kunnen hebzucht bij sommigen aardig doen opstijgen in de geest. Ik ben daar dan ook fel tegen.

Want wanneer je al een museum wilt oprichten met een historisch verantwoord doel moet je dat ook zeker doen voor 85% van onze eigen bevolking die tot ver na WO2 vaak in erbarmelijke omstandigheden moest zien rond te komen. Onbekend en daarom kennelijk verzwegen de verhalen over turfstekers in Drenthe, textielarbeiders in Oost-Nederland, mijnwerkers in Limburg en zo meer. Mensen die 6 dagen per week keihard werkten in de meest vreselijke omstandigheden. Voor een hongerloon.

En die turfstekers dan ook nog in de status van ‘lijfeigenen’ onder bewind van rijke herenboeren uit de omgeving. Maar ja, wie zijn geschiedenis niet kent heeft in de toekomst niets te zoeken. En neem van mij maar aan dat die geschiedenis onze jeugd wordt onthouden door zgn. progressieve leerkrachten die liever de historie aanpassen bij het niveau van de leerlingen of diens demografische herkomst. Wat er toe leidt dat als men al een echt vak onderwijst dit wordt gedaan met vele mitsen en maren. Over de arme joodse bevolking in deze grootste stad en de omstandigheden waaronder die werden gehuisvest dan wel kort gehouden door het toen ook al hoog verheven voelende stadsbestuur, wordt, zeker anno nu, niets verteld.

En krijg je daardoor alleen al de kriebels. Sommige panden in onze stad vroeger aangeduid als ‘vlooienpaleizen’ en de Waterloopleinmarkt niet voor niets de ‘vlooienmarkt’ van de stad. Ook dat wordt ver weg gehouden van de leerlingen die een cultuur bij zich dragen die het jodendom op zijn zachtst gezegd niet welgevallig beoordeelt. Waardoor die armoede en ellende maar zeker ook de daaropvolgende holocaust door de Duitse bezetter zijn beklemmende betekenis vrijwel verliest.

In de huidige media en politiek zie ik veel voorbeelden van hoe polcor-water in de biologische wijn worden geschonken. Zelfs totale ontkenning van de Holocaust is tegenwoordig mogelijk. Als dat zo is lijkt het logisch dat we over die armoede van echte Nederlanders helemaal niet meer praten. En dat is bijna volksvijandig. Armoede kleeft aan mensen als een besmettelijke ziekte. En veel van die armoede staat de meeste mensen van mijn generatie nog aardig in de herinnering gegrift. En kijk even in oude fotoboeken die een beeld scheppen van pak weg 50-70 jaar geleden en je weet dat die armoede echt niet zo lang geleden is verdwenen. Waarbij we anno nu trouwens nog steeds honderdduizenden mensen kennen die nog steeds elke Euro moeten omdraaien om te zien waarmee ze vandaag of morgen de kinderen nog wat eten kunnen geven.

Die armoede is wellicht anders van vorm, maar dat gevoel blijft. Net als bij die vermeende slachtoffers van de slavernij die in grote aantallen na 1975 gesubsidieerd naar ons land kwamen en sindsdien netjes opgevangen, toch die slachtofferrol ontwikkelden. Dit samen met een linkse lobby die het geld graag weggeeft aan ‘derden’ in plaats van aan de eigen bevolking. Want ja, als je zo blijft handelen ontstaat van zelf het ‘wij’ en ‘ zij’ gevoel. Immers het lijkt nooit genoeg. Dus kom maar op met dat armoedemuseum. Liefst in Amsterdam op de Dam! Opdat we elk jaar de echte sloebers in dit land kunnen gedenken….Net als links graag doet in dat slavernijmuseum. (beelden; Archief/internet)

Het gaatje van Seur..

Het gaatje van Seur..

Ik heb in het kader van mijn meningblog diverse malen mijn liefde beschreven voor de in ons land inmiddels wat onderschatte speedway-motorsport. O.a. de Duitse topper Joseph Hofmeister passeerde hier de revue op 9 juli 2021. Dit keer heb ik het hier over een oer-Amsterdammer. Afkomstig uit de Jordaan, toch een heel speciaal deel van onze stad. Waar aan de Willemstraat daar een gordijnstoffenhandel zat die vele jaren lang werd beheerd door de familie Seur. En uit die familie stamde een man die ik als jong mens regelmatig zag rijden op de sintelbaan in het Olympisch Stadion maar ook daar buiten. Piet Seur was een markante rijder.

Kort, gedrongen gebouwd en altijd goed voor een kwinkslag in plat Amsterdams. Geboren in 1932 en vrijwel altijd zijn hart verpand aan die sport waarbij het aan kwam op stuurmanskunst en een groot hart. Voor eigen publiek altijd een tandje er bij zettend maar veelal niet verder reikend dan de goede middelmaat in een veld van toppers als de broeder Kroeze of Van Koppen. Piet kwam uit de grasbaanraces op de sintels terecht en was een grote belofte. Maar ja, zat net in die gouden lichting van toen die de ene na de andere bijpassende helm wist te veroveren. Neemt niet weg dat hij een echte speedwaycoureur was en zijn puntjes voor een team of zijn land bij elkaar sprokkelde. Legendarisch zijn uitdrukking na een wedstrijd waarin hij ‘op zijn plaat’ ging waarna hij even niet mee kon rijden. ‘Piet zag een gaatje….ik dook er in…maar ja toen sloot het gaatje zich…en daar lag ik…’. Dat soort uitspraken waren typerend voor deze verder bescheiden vent. Jordanezen kunnen vaak geweldig zingen, maar een dikke krop hebben ze zelden. Piet zag ik via internet nog even voorbij komen in 2011. Een bijeenkomst van oude en jonge motorrijders, hij op zijn typerende en glimmende speedwaymotor, intussen 82 jaar oud, maar wel in speedwaypak, Amsterdamse drie kruizen op zijn rug. Grijs koppie maar met een grote grijns op zijn gezicht. Een echte motorduivel. En zo zie je ze niet vaak meer. Tegenwoordig gaat het ego voorop en komen de prestaties er vaak achteraan. Ik kon niet achterhalen of hij nog leeft. Dan is hij intussen 95 jaar oud. Wellicht niet meer de leeftijd om op zo’n dikke motor te kruipen. Zou hij intussen hemelen? Dan moet Petrus zich zorgen maken….. (beelden: internet/archief)

Britse schoonheid…

Britse schoonheid…

Onlangs keken we weer eens naar een van de best gemaakte TV-series ooit die het Verenigd Koninkrijk heeft voortgebracht; Downton Abbey. Wie de reeks ook heeft gezien zal met mij onderschrijven dat in alle geledingen van dat verhaal wordt geacteerd op het hoogste niveau. Natuurlijk is het script ijzersterk maar het acteerwerk steekt toch als altijd een divisie boven die in ons land uit.

Als je na een enkele aflevering alle karakters al hebt leren kennen en ook de karaktertrekken van het personage al dan niet fijn vindt of vergeten bent dat een acteur/trice dit neer zet heeft die serie je in de greep. Overkomt me zelden maar deze reeks is een voorbeeld. Bij het opnieuw bekijken van de serie ontdekte ik opnieuw de actrice die gestalte geeft aan Lady Mary Crawley. Oudste dochter van het paar dat het kasteel in dit verhaal bestiert en soms wanhopig op zoek naar de ware liefde dan wel een kandidaat die haar erfenis (het kasteel) mede kan veiligstellen. Die rol is op het lijf geschreven een een typische Britse schoonheid; Michelle Dockery. Blank van huid, brunette en naast actrice ook een begenadigde jazz-zangeres. Haar gezicht is dat van een fraaie pop, de uitdrukkingen van verdriet tot boosheid worden daardoor extra sterk doorgegeven.

Haar stem mooi laag, geen al te grote schreeuwpartijen, nee, alles passend bij een karakter in een wereld van een eeuw geleden. Michelle Dockery werd in 1981 geboren in Londen en werd in 2004 pas actief als actrice. Maar daar zat een stevige opleiding aan prestigieuze toneelscholen voor waar ze al opviel door haar talent en zelfs prijzen won op jeugdige leeftijd. Uiteraard ging ze daarna naar het Britse toneel en speelde oa. Ophelia in Hamlet (2010). Daarna kwam ze ook terecht in de tv-wereld waar ze via bij ons minder bekende reeksen uiteindelijk terecht kwam in de cast van Downton Abbey als de genoemde dochter binnen de familie Crawley. Na die reeks op TV was ze ook te zien in de twee speelfilms waarin dat kasteel decor was van een ijzersterk verhaal. De laatste daarvan kwam pas in 2022 uit.

Tussendoor was ze ook nog te zien als Alice Fletcher in de Netflixreeks Godless en vanaf 2022 in een nieuwe reeks van Netflix Anatomy of a Scandal waarin ze een Officier van Justitie vertolkt. Haar persoonlijke leven kende een waar drama toen haar partner John Dineen op 34 jarige leeftijd stierf aan een niet te genezen vorm van kanker. Dat was een heftige klap voor haar. Gelukkig vond ze vier jaar later een nieuwe liefde in Jasper Waller-Bridge die ze via via had leren kennen. Afgelopen september zijn ze samen ook in het huwelijk getreden. Wat Mary Crawley moeizaam lukte is haar alter ego dus wel gelukkig geworden en dat is maar goed ook. En mocht je de serie die ik beschreef nog niet hebben gezien, zoek hem op en kijk er naar. Je wordt er binnen de kortst mogelijke tijd in meegezogen. Al was het maar door actrices als deze Michelle Dockery…. (Beelden: Internet)

Vergeten…

Vergeten…

Wat of wie wegzinkt in het moeras van de geschiedenis verdwijnt vaak uit de collectieve herinnering. Vraag de huidige jeugd naar de bekende namen uit onze jeugd…Het zal je verbazen hoeveel ‘bekends’ is verdwenen uit dat collectieve geheugen. Niet meer meegenomen bij wat ik maar geschiedenislessen noem, thuis niet meer meegegeven als algemene ontwikkeling, en dus als weinig relevant op enig moment volkomen foetsie. Zo gaat het ook met historische feiten. Men past die aan bij de huidige tijd en maakt zich dan ineens druk om het al dan niet politiek correct verlopen zijn van die geschiedenis….Al was het maar omwille van vermeende slachtoffers die een geldelijk slaatje willen slaan uit die andere aanpak dan wel een buigende koning en volk als minste uiting van excuus willen zien. Zo zag ik onlangs ook dat de omvang van de Holocaust door bepaalde extremistische groepen in twijfel werd getrokken. Dat paste ook in hun politiek/maatschappelijke agenda vrees ik…. Akelig genoeg. Maar zij die beter weten zullen de slachting van het Joodse volk nooit vergeten.

In de privesfeer is vergeten worden ook een akelig vooruitzicht. Mensen vinden zichzelf over het algemeen aardig belangrijk. Niet zo gek, want ze leven, net als wij zelf, maar een keer. Daarbij doe ik hen te kort die menen dat zij later eeuwig verder zullen leven of terug komen als pakweg een paard of regenworm. In zijn algemeenheid leven we dus dat ene leven van nu en eindigt het verhaal als we het bestaande voor het eeuwige verruilen. Het hangt dan ook af van hoe we hebben geleefd of we worden geroemd dan wel in anonimiteit worden bijgezet in de begraafplaats van het relatieve. Toch willen we het liefst voor altijd herdacht worden.

Slechts heel grote namen lukt dat. Zelf benoemde dictatoren, koningen, filmsterren of belangrijke en succesvolle sportlieden. Voor de rest is het maar de vraag of we niet echt worden vergeten. Wie over een begraafplaats loopt (ik deed dat onlangs weer eens) ziet meteen aan de graven wie nog in de herinnering zit van nabestaanden en wie niet. Daarbij zijn cultuurverschillen groot. Veel buitenlandse culturen (denk een Chinezen of voormalig Joegoslaven) hebben praalgraven met veel aandacht en verzorging, bij Nederlanders ligt dat aardig genuanceerd.

De eerste jaren na overlijden komt men als nabestaanden nog wel langs, legt bloemen, bezemt de eventuele steen nog wat bij, maar naar gelang de jaren vorderen wordt dat onderhoud minder. Wordt zelfs tot een last soms en dan verloedert de boel. Terwijl al die overledenen ooit belangrijk waren in hun eigen leven maar zeker ook in dat van hun partners, kinderen of kleinkinderen. Ze waren fabrieksdirecteur of grote tv-ster. Maakt veel relatief, en de onlangs bij een door ons bezochte begrafenisplechtigheid uitgesproken woorden ‘laten we…..niet vergeten, ook al is hij niet meer onder ons’ best indrukwekkend. Wij mensen willen er voor altijd zijn, de dood is net even te drastisch. Maar die begraafplaatsen zetten veel op de bekende plek. Eenmaal verdwenen uit het leven blijf je nog even in herinnering, maar dan gaat ook dat lampje uit. Wie het anders ervaart mag het zeggen. En als je goed oplet zie je dat ik hier af en toe wat mensen laat passeren die nog even in de herinnering moeten terugkeren. Omdat we al zo slordig omgaan met onze eigen en vaderlandse geschiedenis. Herkenbaar? (Beelden: archief en internet)

Bijster fraai; Hawker Hunter…

Bijster fraai; Hawker Hunter…

Als opvolger voor o.a. de Gloster Meteors (zie blog 10 maart jl) kocht de Nederlandse regering de bijster fraai gevormde Hawker Hunter. Een straaljager die voor het eerst vloog in 1951 en in staat bleek net op de rand van de geluidsbarriere te opereren. Aangedreven door een Rolls Royce Avon straalmotor werd de machine al snel besteld door de Royal Air Force maar ook buitenlandse luchtmachten zoals de onze deden een bestelling voor deze potente straalkist. De Hunter was niet alleen een goed en geducht luchtwapen, maar ook een fraai ontwerp. En een oude wet in de luchtvaart is dat als een vliegtuig fraai oogt het ook als zodanig vliegt.

Door de jaren heen werden de Hunters ook verbeterd. Daardoor konden ze meer taken aan en werden ook sneller, namen meer lading mee en werden daarnaast zeer geliefd bij hun vliegers. De Hunter was een betrouwbaar vliegtuig. Voor de opleiding van piloten werd een tweezitter ontwikkeld die ook in onze luchtmachtkringen werd gebruikt. Heel wat Hunters bleven ook relatief lang in gebruik. Dat gold ook voor de KLu exemplaren. Hunters deden zelfs nog dienst toen de F104 Starfighter al was geintroduceerd. Nederland had de Mk4 en 6 in gebruik naast de TMk7 trainers.

Als je in de jaren zestig naar Soesterberg afreisde zag je ze daar volop opereren. Maar uiteraard ook op andere bases was die Hunter een bekende verschijning. Bij andere landen vlogen die Hunters soms ook in conflicten. Zoals in het Midden-Oosten, maar ook in de oorlog tussen Pakistan en India. En waren ze soms een lastige prooi voor de tegenstander als de vlieger in de Hunter de nodige ervaring had. Tegenwoordig is het een gewaardeerd museumstuk, maar zijn er ook nog wat vliegend bewaarde exemplaren te bewonderen. Een elegante machine die natuurlijk niet alleen om zijn schoonheid werd gewaardeerd maar meer voor zijn praktische bruikbaarheid. En o ja, die Hunter werd net als die Meteor ook gewoon gebouwd (licentie) bij Fokker op Schiphol. Dik 190 van deze vliegtuigen verlieten daar de fabriekshallen. Best iets om trots op te zijn en een bewijs dat wij met dat Fokker een prachtig stukje industrie in huis hadden… (Beelden: Archief)

Allemansvriend….

Allemansvriend….

Ik weet vrijwel zeker dat iedereen er wel een of meerdere in huis heeft. Want handig en nooit in de problemen zoals met zijn wat chiquere zusje, de vulpen, nog wel eens het geval was of is. Ik heb het over de ballpoint, of balpen op zijn Nederlands. Miljarden en miljarden zijn er van gemaakt en het concept van deze inktrolpen stamt al uit de 19e eeuw. Moest je eerder een ganzenveer of kroontjespen in inkt dopen om iets op papier te kunnen zetten, bij de balpen komt die inkt uit een klein buisje of plastic huisje en wordt door de zwaartekracht via een piepklein bolletje uitgestoten voor ons betere schrijfwerk. Nou ja beter, ik zelf weet (vind)zeker dat je met een vulpen domweg mooier schrijft, maar die handigheid gebiedt toch dat die ballpoint een grote vlucht nam.

En daarover gesproken, letterlijk werken de meeste ballpoints van enige kwaliteit ook hoog in de lucht of zelfs de ruimte. Uitgebreid getest onder die omstandigheden bleken de meeste pennen in staat om gebruikers te bedienen die normaal een vacuum van letters hadden voortgebracht met hun vroegere schrijfmiddelen. Alleen een ouderwets potlood deed hetzelfde. In de 20e eeuw zijn die ballpoints doorontwikkeld tot wat ze nu zijn.

Grote merken maakten kunstwerkjes van die schrijfwaren, soms in sets met vulpennen in een mooie hoes verpakt. Kregen hun eigen aanhang. Maar de grote jongens als Bic hadden maling aan deze trends en maakten die pennen nu juist zo goedkoop mogelijk waarmee ze een enorm publiek aan zich wisten te binden. Als je oplet koop je tientallen van die Bics voor de prijs van een enkele fatsoenlijk ogende ballpoint van een echt merk.

Maar kniesoor die daar op let als je gewoon je dagelijkse boodschappen wilt opschrijven in een schriftje of daarin je huishoudbudget bijhoudt. Knap van de uitvinders van de nu gebruikte nieuwe inktsoorten in die pennen is dat men in staat bleek om die na gebruik op papier meteen kon laten indrogen. Bij een vulpen moet je dan geduld hebben of met een vloeipapierhouder de boel deppen. De uitvinding van die inkt wordt toegeschreven aan de Hongaarse broers Biro. En door die uitvinding besloten o.a. Britse legerleiders dat hun piloten tijdens WO2 ballpoint mee namen voor bijhouden vluchtgegevens en zo meer i p v de vlekkerige vulpennen van voor die tijd. Door de jaren heen is de ballpoint zo ver doorontwikkeld dat er ook allerlei varianten op het thema verschenen. We kennen nu fijnschrijvers, roller-mates, en zo meer.

We hebben ze allemaal wel in een of andere vorm in huis. Het plezier dat wij er aan beleven zorgt ook dat kinderen op school zonder al te veel moeite kunnen leren schrijven of tekenen. Want ook dat is met die pennen mogelijk. Met afschuw denk ik terug aan die tijden dat ik zelf met een kroontjespen in schriftjes zat te harken. Hoewel je als je daar mee om kon gaan fraaier schreef met zo’n ding dan met die latere ballpoints. Maar zal vast ook zitten in de grip op de steel van het ding. Vandaar dat ik graag met vulpennen schrijf. Waar dat nog nodig is uiteraard. Want zoals jullie hier ook al zagen en toepassen, wordt er veel geschreven op de laptop of soortgelijke machines. Met de hand schrijven wordt tegenwoordig steeds minder gebruikt. Met welke pen ook….. Ook grote schrijvers doen veel met de computer. En printen hun schrijfsels…. De enkele uitzondering daar gelaten, maar die zijn dan ook uniek… Hoeveel van die ballpoints hebben jullie in huis? Ik ben geen verzamelaar, maar weet zeker dat ik er alleen al in mijn mancave een stuk of 50 paraat heb. Ben dan nog een kind bij echte verzamelaars waarvan ik er ooit een zag die er 150.000 in huis had. Kijk, dan kom je nooit een pen te kort…. (beelden: Wiki)

Mooie stem..

Mooie stem..

Dat gaat wellicht voor veel zangers of zangeressen op, maar als ik wel eens wat oudere nummers beluister kom ik er achter dat men pakweg een jaar of 50 geleden toch een heel andere interpretatie gaf aan het fenomeen mooi zingen dan tegenwoordig. Hedendaagse kwelers willen nog wel eens zingen met adlips wat naar mijn idee verbloemt dat men eigenlijk toch de nodige opleiding heeft gemist dan wel een gebrek aan talent bezit. Maar dit terzijde. Onlangs hoorde ik weer een zanger die ik mij uit de jeugd nog goed herinner. Dean Martin. Een man die in zijn hoogtijdagen niet alleen talloze albums vol zong, maar ook succesvol optrad in heel wat films. Hij was een vaste waarde in de zgn Rat Packs waartoe ook Sammy Davis Junior en Frank Sinatra behoorden, had zijn eigen tv-show, leverde komische scenes in films met Jerry Lewis en zo meer.

Hij had een mooie zalvende stem en stamde qua carriere uit het begin van de jaren vijftig. Martin werd geboren in Ohio, zijn ouders waren Italianen en zijn familie naam was derhalve Crocetti. Geboren in 1917 werd hij een mens van diverse beroepen en interesses voor hij in de showbusiness actief werd. Dat deed hij door als zanger op te treden in New York. Maar al snel bleek zijn naam toch een dingetje en werd die omgebouwd naar Dean Martin. Met Jerry Lewis vormde hij in de beginjaren van de carriere een komisch duo, maar dat komische talent van die lui moest wel wat worden aangescherpt.

Dat lukt uiteindelijk prima en de naam van beiden was gevestigd. Toen zij op enig moment besloten tot een scheiding geloofden velen dat Martin het alleen niet zou redden. Het tegendeel bleek waar. Hij ontwikkelde zich tot een grote naam in het Amerikaanse showwereldje. Zijn zangtalent werd erkend en zijn nummers door de loop der jaren terug ter vinden op diverse hitlijsten van toen. Zijn zogenaamde levensstijl werd wel een dingetje. Want hij was een roker en drinker en liet dat ook vaak zien op tv. Zingen met een peuk en glas in de hand was hem niet vreemd. Later bleek (volgens zijn erfgenamen) dat in die glazen appelsap te vinden was en geen alcohol. Rond begin jaren 70 werd zijn gezondheid wel een dingetje. Die ging slechter dan gewenst en dat zette ook een rem op zijn carriere. Doodzonde. Daarbij kwamen op enig moment verhalen in de media dat hij net als collega Frank Sinatra banden zou hebben met de maffia. Bewezen is dat nooit overigens. Dean Martin was drie keer getrouwd en had acht kinderen. Een daarvan, zijn zoon Dean Paul Martin Jr. kwam helaas bij een vliegtuigongeluk om het leven. Dat hielp Dean niet bij diens gezondheid. Uiteindelijk overleed hij zelf op 1e kerstdag 1997. Een emfyseem kostte hem zijn leven. Hij werd 78 jaar oud. Zijn muziek en zijn vele rollen in films blijven hem eren. Net als ik dat even deed….Everybody loves somebody sometimes….. (beelden: Internet)

Onbekende Fransoos; Bernard!

Onbekende Fransoos; Bernard!

De meeste van mijn lezers hier zullen wel wat Franse automerken kunnen opnoemen. Citroen, Peugeot, Renault wellicht, maar van Bernard zullen de meesten hier niet of nooit hebben gehoord. Verbazing wekt dat allerminst. Het Franse truckmerk startte haar activiteiten in het jaar 1923, net een eeuw geleden dus, en hield het vol tot 1967. In de tussenliggende jaren fabriceerde het lichte en zware trucks, kiepwagens, opleggers en zo meer.

Men produceerde in Frankrijk eigen 4-cilinder benzinemotoren, en nam later in licentie gemaakte Amerikaanse zescilinders op in haar productiemodellen. Ook buschassis werden gebouwd met een vrij lage instaphoogte wat de Bernard als bus deed aanspreken bij het toenmalige publiek. In 1932 had Bernard al een vijfversnellingsbak met overdrive, hydraulische remmen en een automatisch smeersysteem voor het chassis.

Dieselmotoren haalde men uit Engeland (Gardner) en men experimenteerde al met driecilinder motoren voor haar lichte bestelwagens. Die waren zuiniger maar werden toch nog geen succes. Toen de oorlog uitbrak was Bernard best succesvol met haar 6-12 tons trucks die men na de Bevrijding weer opnieuw op de band zette om zo snel omzet te kunnen draaien.

De busproductie werd intussen gestaakt, trucks met vier of zes wielen werden de norm. Jaar na jaar kwam Bernard met nieuwe ontwikkelingen, zoals aluminium chassis voor de trucks van het merk, waardoor gewicht werd bespaard. Dikke 12 cilinderblokken en later turbo-gedreven V8 diesels maakten het merk best bijzonder. Dat gold ook voor de vormgeving. Die was ‘typisch Frans’ en dat was mede de reden dat je het merk in onze streken vrijwel nooit tegenkwam.

In de bestuurderscabines werden ronde en stijlloze voorruiten aangebracht, en ook dubbele koplampen met heel bijzondere behuizingen. Alles design en modern. 10-versnellingsbakken kwamen ook in het leveringsprogramma. In 1963 echter werd Bernard overgenomen door het Amerikaanse truckmerk Mack. Daardoor kwamen er trucks op de markt onder de merknaam Mack-Bernard. Maar het grote succes bleef uit en als eerder genoemd, in 1967 was het over en afgelopen. Wat bleef was de herinnering. Waarover ik met liefde berichtte… (Beelden: Internet)

Vreemde bediening…

Vreemde bediening…

Elke keer wanneer we als familie even een gedenkmomentje beleven op de Amsterdamse begraafplaats waar oudere broer Rob zijn plek veel te vroeg moest innemen, lopen we even door naar een of andere horecagelegenheid om op zijn persoon bij leven te proosten. Met koffie of thee hoor, niks heftigs. Dit keer deden we dat bij het niet ver van de fraaie Oosterbegraafplaats gelegen bekende Grand Cafe/restaurant Frankendael aan de Middenweg in Amsterdam-Oost. Op zich weinig mis mee, normaal worden we daar met alle egards ontvangen, maar dit keer was dat merkbaar anders. Een kennelijk al wat langer meelopende ober ontving ons op een wat ‘bijzondere manier’. Legde omstandig uit waar we wel of niet mochten gaan zitten omdat een deel van zijn etablissement was gereserveerd voor een wat grotere groep. Maar we vonden toch een tafel aan het raam. Prima geregeld. De jassen waren nog niet uit of hij drong aan op het gebruik van de lunchkaart. Maar wij wilden eerst even wat drinken. Koffie en thee, daarna even kijken voor iets er bij. Hij slofte weg en maakte de drankjes klaar.

Nou ja, de koffie dan.. Toen hij die kwam brengen vroeg hij wat we in de lunchkaart hadden gevonden. Tja, twee keer tosti (met iets verschillends als beleg naar gelang de smaak van de dames) en een appelpunt met slagroom. Kwam die thee ook nog door? Zuchtend haalde hij de lunchkaarten weg en begon aan de thee. Die kwam er….dus even rust. Als ik op de man lette, ik kon het niet laten, zag ik een uitgeblust type in een werkbroek op gympies…. Hij was moe van dit vak, het was hem aan te zien. De tosti’s kwamen en bleken lekker, maar ja, die taart. Vergeten.. Na vragen alsnog. Bleek smakelijk. Net als de tweede ronde drinken…Die we alleen mochten bestellen ‘als we de mondjes hadden leeggegeten’…. Humor?

Het zal, maar voelde vooral bijzonder. Toen we onze gesprekken hadden afgerond (altijd goed om emoties even weg te werken..) stelde hij namens ons vast dat nog een rondje drinken niet goed was, want ‘ging maar klotsen’. Je weet soms niet wat je hoort… Intussen deed hij ook een van de aangekondigde gezelschappen. Man of tien, zelfde behandeling. Je moet maar durven. Wellicht zien sommigen er wel de humor van in hoor. Het was in ieder geval apart en dat vergeet je niet zo snel. En op de kwaliteit van het gebodene uiteindelijk niks aan te merken. Interieur van deze zaak een beetje oubollig, versleten zelfs, maar dat hoort bij de ambiance. Maar met dit soort wat versleten service kom ik niet veel hoger dan een 7-tje. En dat is echt niet nodig. Bij vorige bezoeken zat dat cijfer flink hoger. Apart is niet altijd fijn….(beelden: Internet/Frankendael)