
Schreef ik een tijdje terug nog over het feit dat pas ergens in de jaren zeventig van de vorige eeuw vliegen een meer democratisch gehalte kreeg toen luchtvaartmaatschappijen hun tarieven wel moesten dumpen omdat ze anders hun splinternieuwe jumbojets van Boeing, Douglas of Lockheed niet gevuld kregen, voor hen die gewend waren in luxe te reizen was deze ontwikkeling toch een stuk minder. Bedenk je maar eens dat veel reizigers van voor die periode gewend waren aan lange vluchten met veel luxe aan boord (eigen kok, menu’s om uit te kiezen, hotels voor overnachtingen als men een tussenstop maakte etc.etc. ). En die luxe verdween al snel met die grote vliegtuigen. Immers, de hoge aanschafkosten, de exploitatie, en de mogelijkheid om tussen de 350-600 passagiers in zo’n toestel onder te brengen maakte dat men al snel die extra luxe uit het begin over boord mikte en steeds soberder vervoer begon aan te bieden.

Een ellende voor de mens die juist voor die luxe was overgestapt van het passagiersschip naar het vliegtuig. In diezelfde jaren 70 kwam ook de supersone Concorde in gebruik. Razendsnel (2.5 keer zo snel als een 747), exclusief tarief voor de naar luxe snakkende passagiers. Een tijd lang een groot succes. Maar die Concorde kende zo haar nadelen. Het geluid van doorbreken van de geluidsmuur was er daar maar een van. Met net aan 100 passagiers kon de fraaie machine het traject Parijs of Londen naar New York met wat moeite non-stop-vliegen, maar een stukkie verder werd erg ingewikkeld. En intussen groeide de welvaart, werden bedrijven zich bewust van het feit dat veel van hun managers overal ter wereld snel moesten kunnen zijn om fusies te begeleiden of aandeelhouders gerust te stellen (..) waardoor aan specialistische vliegtuigfabrieken werd gevraagde aangepaste toestellen te ontwikkelen die hetzelfde konden als die grote jets, maar dan tegen een lagere stuksprijs en ingericht voor 8-10 passagiers die in grote luxe zouden kunnen reizen.

Grumman, Bombardier, Embraer, Dassault en Hawker kwamen met ontwerpen die dit konden bieden en al snel werden deze machines verkocht of ze niets kostten. Ook ontstonden speciale charterbedrijven die VIP-vluchten en bijpassende vliegtuigen boden tegen de fractie van een aankoopbedrag. Ook in ons land een winstgevende handel. Wie wel eens op een beetje vliegveld heeft staan kijken naar wat daar allemaal voorbij komt zal zeker die zakenjets wel eens hebben gezien. Ze staan net als luxe limousines te wachten op hun eigenaren. En net als bij die vierwielers of luxe jachten bepaalt de omvang de status van die eigenaren. Dus groeien die machines. Nemen nu met gemak 25 passagiers mee over enorme afstanden. Geen gedoe meer met inchecken of in de rij hoeven staan. En na het verdwijnen van de Concorde een prima alternatief voor hen die geen tijd hebben maar haast.

Een toekomstgerichte supersone zakenjet is in de maak en zal over niet al te lange tijd zijn opwachting maken. Ontwikkelingen zijn nu eenmaal niet te stuiten. En o ja, er zijn ook zulke rijke families en staatshoofden dat die zich VIP-uitgeruste vliegtuigen als een Boeing 747-800 kunnen veroorloven voor hun privevluchtjes. Veelal afkomstig uit het Midden-Oosten. Daarbij is die Air Force One van Trump maar een ouderwets en bescheiden ding. Om het over de Boeing 737 van onze Willem en Maxima maar niet eens te hebben. Maar die zijn vast niet VIP genoeg voor nog iets groters…. (Beelden: Archief)






























































Tegenwoordig kennen we we eigenlijk nog maar twee grote vliegtuigfabrikanten (Boeing en Airbus), maar voor de tweede Wereldoorlog was er echt een hele reeks van die ondernemingen. Elk land koesterde haar eigen producten op dit punt, al was het maar om strategische redenen. De Verenigde Staten van Amerika had er tientallen waarvan Douglas er een was. Dat bedrijf maakte enige naam met toestellen voor de defensie van het grote land aan de andere kant van de Atlantische Oceaan maar kreeg pas echt wereldfaam toen men al in 1931 een volledig metalen vliegtuig presenteerde aan de toenmalige grote airlines binnen de VS, de DC-1. Dat toestel had nog wel wat beperkingen, maar zijn productieversie, de DC-2 werd een groot succes. Ook Albert Plesman zag ineens het licht bij het aanschouwen van die DC-2 en kocht er een stel voor zijn KLM. Groot voordeel van deze machines, zij hadden twee motoren, een intrekbaar landingsgestel en een behoorlijke mate van comfort t.o.v. concurrerende machines. Je kon er veertien passagiers in meenemen.
Aardig was ook dat die DC-2 in staat was in geval van nood op een motor door te vliegen, zij het dat de kist dan wel langzaam maar gestaag daalde. Ook weer op indicaties vanuit de Amerikaanse luchtvaartmaatschappijen kwam er een grotere uitvoering beschikbaar, die we later als DC-3 zouden verwelkomen. Dat toestel vloog nog een hele slag beter dan de DC-2, had ook veel meer capaciteit (tot 25 passagiers) en was als ‘sleeper’ uit te rusten, waarbij je dan in een soort bedden werd vervoerd van de ene kant van het continent naar het andere. Ook deze machines werden aan de KLM verkocht. En al voor de oorlog ingezet op het lijnennet van onze nationale trots. Een ontwerp dat tijdens de oorlog als C47 Skytrain (bij ons Dakota) grote faam zou behalen en lang als een van de best verkochte vliegtuigen ooit zou gelden. KLM kreeg er na de oorlog een hele reeks van in dienst en ze vlogen ook bij vrijwel elke andere maatschappij in Europa.
Na ruim 11.000 stuks staakte de productie. Maar bleef de machine wel decennia lang gewoon in gebruik. Al zijn vervangers (..) zijn intussen uitgefaseerd, de DC-3 vliegt nog steeds rond op sommige plekken. Of bij vliegende musea-collecties zoals de Dutch Dakota Association. Een enorme stap zette Douglas door een viermotorig vliegtuig te ontwikkelen dat met een bijpassende aanduiding DC-4 werd genoemd. Vloog voor het eerst in 1942 en werd vooral ingezet als transportvliegtuig. Maar wel in zulke aantallen dat na de oorlog heel wat van die machines beschikbaar kwamen voor het weer opstartende burgervliegverkeer over langere afstanden. Ook de KLM kreeg er via een diplomatieke truc (ze werden geleverd aan de Nederlandse overheid..) in haar vloot en kon daarmee o.a. een dienst naar New York opstarten. Die DC-4 had geen drukcabine, was een vrij rudimentair type maar bleek net als zijn kleinere zusje DC-3, aardig taai te zijn. Een echte outsider was de DC-5.
Een soort DC-3 met hoog geplaatste vleugels. Het toestel werd geen succes, maar KLM kocht er wel een aantal voor haar Indische vliegbedrijf. Slechts 12 exemplaren van die DC-5 werden er gebouwd, een daarvan werd geleverd aan William Boeing, de man achter een reeks concurrerende vliegttuigtypen en naamgever aan die nu nog bekende vliegtuigfabriek. Maar die meneer Boeing was zeer onder de indruk van de bouwkwaliteit bij Douglas. Uit de jaren veertig stamt ook de DC-6. In feite een doorontwikkeling van de kleinere en oudere DC-4. Met een langere romp, drukcabine, krachtiger motoren en naar gelang de uitvoering ook in staat om als combi-vliegtuig te worden ingericht. KLM kocht ook deze versie en liet de DC-6 op de routes van de DC-4, deze oude kisten aflossen. De DC-4’s werden verkocht.
Die al uit 1946 stammende DC-6 hield het ook bij KLM nog best lang vol. Kreeg echter in 1953 een opvolger in de DC-7, die in eerste instantie nog sterk leek op alweer een verlengde uitvoering van de DC-4, maar in de uitvoering van de KLM, als DC-7C toch een totaal andere toestel zou worden. Met zijn enorme en krachtige Turbo-compoundmotoren was de machine in staat om met een enkele tussenstop naar de VS te vliegen. KLM vloog er ook mee naar Tokio.
Toen de kist op zijn hoogtepunt was tijdens zijn dienstverband bleek echter het tijdperk van de straalverkeersvliegtuigen aangebroken en nam ook KLM die machines (DC-8) in gebruik. Het tijdperk van de oude propliners was voorbij. De DC-7’s en andere Douglassen in de vloot werden deels omgebouwd tot vrachtkist, andere verkocht. En over dat tijdperk van die straalverkeersvliegtuigen van Douglas zal ik bij een andere gelegenheid nog het een en ander in blogvorm uitwerken. Wordt vervolgd dus… (Foto’s: Yellowbird photo/archief/KLM)