Vrolijke kunstenaar…

Vrolijke kunstenaar…

Ware het niet gegaan via een tip van mijn polderzus Thamara (in blogland nog steeds bekend ook al zit ze tegenwoordig vooral op de andere sociale media) of ik had nooit van het bestaan van deze kunstenaar afgeweten. Over wie gaat het dan Meninggever? Nou om Marius van Dokkum. Een vrolijke Frans die in de stijl van oude meesters niet alleen leuke platen maakt die je zo aan de wand kunt hangen, maar ook stripboeken vult met zijn tekeningen. Maar ook kaartspelen, kalenders of legpuzzels maakte. De man werd geboren in 1957 (bron Wiki) en is nu dus een dikke zestiger. Ooit geboren in het Noord-Hollandse Andijk volgde hij een christelijke opleiding in Kampen en ging een tijdje werken in Ughelen als ontwerper bij een papierfabriek. In die periode ging hij ook schilderen. En zijn stijl ontwikkelde snel een leuke humoristische uitstraling en inhoud. Zijn werk is vaak geexposeerd in diverse musea, hij verkoopt zelden iets, maar dat komt meer door zijn eigen terughoudendheid na een zeer slechte ervaring met een galeriehouder die hem oplichtte.

Nadat hij uitgebreid aandacht kreeg tijdens een expositie die werd gehouden in Harderwijk (2015) en daarbij ook de nodige bezoekers zijn werk leerden kennen kwam het initiatief op gang om een specialistisch Marius van Dokkum-Museum in te richten in die dol fijne vissersplaats van vroeger. Dat museum ging in 2018 open. Het zal duidelijk zijn dat ook ik dat toch eens moet bezoeken als we daar in de buurt zijn. Het werk van Marius van Dokkum heeft veelal realisme in zich met een grote knipoog. Met name ouderen en trouwe kerkgangers zullen wellicht iets moeten slikken bij het zien van zijn blik op de mensen uit die kringen. Maar een beetje zelfspot moet je natuurlijk wel gewoon hebben. Is uberhaupt beter. Al dat serieuze gedoe… Van Dokkum zelf maakt naast werk in opdracht of om de kassa te spekken ook vrij werk waarin hij zich naar eigen zeggen nog wat beter kan uiten. Het is leuk werk en als stripliefhebber kan ik het zeer waarderen. Vandaar even aandacht voor deze kunstenaar. Ik hoop dat jullie het ook kunnen waarderen, en anders glimlach je maar…(Beelden: Thamara/internet)

Pure nostalgie; Studebaker…

Pure nostalgie; Studebaker…

Een automerk dat vele wellicht anno 2023 niets meer zegt maar indertijd een enorme naam en faam bezat was het Amerikaanse Studebaker. Dankte haar naam aan huifkarbouwers Henry en Clem Studebaker die al in 1852 met hun nering startten en in 1902 ook auto’s bouwden. Voor de oorlog redelijk succesvol. Tijdens WO2 befaamd zelfs omdat het merk gestalte gaf aan een belangrijk deel van het truckbestand van de Amerikaanse troepen. En omdat men die wagens ook leverde aan de Sovjet-Unie (toen een mede-bestrijder van Nazi-Duitsland en Japan) schonk men de Russische vrachtwagen-industrie ook meteen een basis voor eigen producten die in eerste instantie gekopieerd leken van die Studebakers.

Na de oorlog ging het merk Studebaker met veel moed en wat minder geld aan de slag met waar zij voorheen zo goed waren geweest, personenwagens. De eerste was de Champion van 1942 die net als bij andere fabrikanten, na de oorlog nog genoeg klanten wist te vinden. De auto had voor die tijd best aantrekkelijke lijnen maar oogde nog wel wat klassiek. Dat was meteen over toen de nieuwe Champion van 1947 op de markt kwam. De auto was ontworpen door de befaamde Raymond Loewy die de nieuwe wagen lager deed lijken dan sportwagens uit die periode en door de toepassing van panoramische ruiten medeweggebruikers in de war liet zijn omdat de voor- en achterkant veel op elkaar leken. Wie houdt van bijzonder kan niet om deze Studebaker heen.

Dat werd nog sterker toen Loewy de Champion in 1950 wederom onder handen nam en de wagen een zgn. bullett-nose meegaf en een dashboard tekende dat in een vliegtuig van die periode niet had misstaan. Wie in een Studebaker reed viel dus meteen op. En heel wat concurrenten kopieerden deze fraaie ontwerpen en pasten onderdelen ook bij hun nieuwe wagens toe. De sedan-uitvoering heette overigens Commander en was iets minder uitbundig van vormgeving. Twee jaar later verdween de bullet-nose weer maar oogde de auto nog steeds heel modern. Maar het publiek bleef toch te vaak weg uit de dealershowrooms en dus moest Loewy weer aan de bak. En wat hij daarop tekende maakte veel klanten erg enthousiast.

De nieuwe Champion van 1953 was lager dan laag, leek op een pure sportwagen maar had onderhuids nog steeds de basis 6-pitter van 2.8 liter die Studebaker al sinds de oorlog aanbood. Betrouwbaar, leuk, maar voor de liefhebber niet genoeg. De vlotte wagen schreeuwde om een V8 en die werd tegen meerprijs leverbaar gemaakt. Door de jaren heen kreeg de lage Studebaker wat wijzigingen aan de carrosserie, werden de motoren nog wat krachtiger, maar bleef het succesvolle concept overeind gehouden. Zo’n wagen was ooit ons familiebezit in mijn jeugd, ik haalde het al eens vaker hier aan. Toch veranderde er wel iets bij Studebaker. Het merk had zoveel last van de concurrentie die met name General Motors, Ford en Chrysler bood, dat men samenging met Packard. En hoewel het merk nog een tijdje doorging met aansprekende modellen als de Hawk en Golden Hawk, werden op enig moment ook wagens opgenomen die weliswaar succesvol, niet aansprekend waren.

Zoals de Lark. Die je als sedan, cabrio of er aardige stationcar kon kopen. Meest aansprekend bij die latere modellen was toch wel de Avanti. Wederom van de hand van Loewy en uitgevoerd als een vierpersoons Coupe. Met dikke V8-motoren en een kunststof carrosserie was dit een ruimteschip op de weg. Snelheden tot 260km/u waren er mee mogelijk. Maar veel wagens zijn door Studebaker hier niet van geproduceerd. Wel wilden dealers later, na het faillissement van Studebaker zelf, met de Avanti verder. En werden er steeds weer nieuwe wagens gebouwd. Tot in recente jaren als er weer een investeerder gevonden werd om opnieuw de productie op te starten. Maar Studebaker zelf verdween. Net als Packard. Wat bleef zijn herinneringen en vaak erg goed onderhouden klassiekers die deze naam nog dragen. En terecht. Prachtig mooi merk en een ontwerper in dienst die overal zijn stempel achterliet in de Amerikaanse industrie op zowat elk gebied. (beelden: Yellowbird archief)

30

30

Toen ik onlangs mijn zoveelste verjaardag vierde en vanuit de steeds groter wordende wijsheid (..) even filosofeerde over hoe het zover is gekomen met de oude Meninggever, kwam ik ook via een TV-programma met daarin allemaal (mij onbekende) ‘BN-ers’ van pakweg 25-30 jaar oud tot een mijmering. Immers, wat die lui zoal bezighield en op tv oreerden maakte duidelijk dat zij heel anders in het leven stonden dan ik nu of toen ik dezelfde leeftijd bezat. Veel van de wereldgeschiedenis was ze kennelijk onthouden, wat momenteel loos is speelde wat minder een rol voor ze maar hun zelf bedachte carrieres vonden ze ultiem. En dus dacht ik even terug naar mijn eigen toenmalige leeftijd op dat niveau. Ik was toen druk, druk, druk. Werk, jong gezin, hobby’s, de toenmalige vriendenkring die vele malen groter was dan de huidige.

We waren nog vol van plannen voor dit of dat, maakten reizen binnen Europa, reden ook van hot naar her en bouwden aan dat waar we nu nog zo van genieten. Ik wist best veel, de brede interessewereld maakte dat me maar weinig ontging. Of ik allemaal alles goed verwerkte en omzette in de juiste beslissingen? Wellicht niet. Maar ik koos er wel voor om op enig moment mijn job in de luchtvaart te verlaten als broodomgeving en me in de auto’s te storten. Waarbij ik me ineens ook twee nieuwe disciplines moest eigen maken, het verkopen van auto’s en een administratieve verwerking van wat ik allemaal deed, zonder dat ik dit nu meteen vanuit een grote ervaring kon onderbouwen.

De jeugdige overmoed maakte dat ik het mezelf allemaal eigen maakte. En snel. De leerschool was hard, maar dat maakte me niet uit. Ambities stuurden het verlangen naar meer en dat volgde in de daaropvolgende jaren. Communicatief sterk paste ik toe wat ik in het verleden binnen werk en interesse had opgebouwd op de nieuwe rol die me nog heel wat jaren in die autowereld zou houden. En niet zonder succes. Als ik nu plakboeken en video’s bekijk uit die tijd was ik aardig aanwezig in kranten, bladen en zelfs op TV. De jonge Meninggever in die zin gek op aandacht, maar wel altijd voor bedrijf of merk waar ik voor werkte, nooit echt voor mijzelf. Dat hoefde niet zo nodig. Wel was ik in die jaren ook graag voorzitter van dit of dat. Of het nu de Oudercommissie op de school van zoonlief betrof, een hobby-vereniging of een Stichting ter promotie van de luchtvaartbelangen in een omgeving die ook toen al werd verpest door anarchie en halve zolen. Nu ik ruim dubbel zo oud ben kijk ik op heel wat van de toenmalige activiteiten met tevredenheid terug. Het waren wellicht tropenjaren, het aantal uren per week die ik werkend doorbracht moeten die huidige ‘BN-ers’ nog maar eens zien te bereiken. Alles overdenkend ben ik nu achteraf dus best tevreden over die 30-jarige die ik toen was. Want dat harde werken, vele leren, maar zeker ook het genieten heeft me gebracht wat ik nu zo apprecieer. Hoe is dat voor jullie lieve mensen? Als je naar jezelf kijkt en naar de eventuele persoon die je ‘toen’ was?? Laat maar ff weten….Ik sta open voor jullie nieuwe ervaringen of juist die oude….(Beelden: Prive-archief/internet)

Excuses…

Excuses…

Wie iets heeft gedaan, gezegd, vermeden of wat ook waar anderen zich aan hebben gestoord, geergerd, of zelfs verdrietig van werden, maakt tegenwoordig gewoon excuus en komt er soms mee weg. In normale situaties tenminste. Je geeft mekaar een hand, kus of knuffel en leeft weer verder. Ik heb in het verleden zelf nog wel eens excuses aangeboden voor iets wat ik beter niet had kunnen zeggen of zo, zelden leidde dat tot al te grote problemen. Omgekeerd accepteerde ik ook wel eens excuses van iemand die me iets had geflikt wat mij echt zeer deed. Maar ik ken voldoende mensen die in wat ze me aandeden nooit reden genoeg vonden om daarvoor later excuses te maken. Zo verliep een zakenrelatie van jaren tot een ijskoude afstand toen de andere partner in ons verband meende om mij om mijn afkeer van extreemlinkse politici met bepaalde uitdrukkingen te duiden die echt recht op de persoon waren gericht. Ik sloot direct de luiken en heb de man buiten mijn netwerk gehouden tot op de dag van vandaag.

De handel die we samen deden en waarvan juist hij het meest profiteerde was geen reden voor hem excuses aan te bieden. Het zij zo. En mijn ingebakken trots maakt het met de jaren steeds lastiger omgekeerd een weg te bewandelen die tot een gesprek kan leiden. Zo was er ook een chef die me iets flikte waarbij hij zeer ten onrechte een conclusie verbond die mijn carriere indertijd beschadigde. Hij was volkomen verkeerd geinformeerd en deed wat hij nodig vond zonder de feiten te kennen. Het gevecht daarna werd stevig gevoerd en kostte hem veel geld. Na een paar jaar kwam ik hem weer eens tegen en sprak hem daarop aan. Beiden zaten we in een andere fase van ons leven en het ging ons verder goed. Hij hoorde me aan, vond het prima dat ik hem er op aansprak maar een excuus bleef uit. Dat verbaast me nog tot op de dag van vandaag. Maar die verbazing geldt ook voor excuses die onze regering links en rechts uitdeelt aan groepen en landen waar in het verleden wellicht iets mee of bij fout is gegaan.

Zo waren er excuses voor die mensen in voormalig Joego-Slavie. Of die aan mensen in Atjeh waar het Nederlandse leger indertijd extremistische moslim-rebellen bestreed. Altijd gevolgd door de claims op schadevergoeding vanuit die kant waarop de excuses waren gericht. Maar dat geheel kreeg een overtreffende trap toen onze premier, ongetwijfeld onder druk van het abjecte D66 in de regering, excuses ging maken aan de gebieden waar ooit in het verleden slavernij had geheerst. Nu was Nederland op dat punt een klein landje en/of dader, maar toch. De veelal Surinamers die het betrof wilden die excuses niet. Die wilden boetedoening en vooral schadevergoedingen. Te betalen door mensen die nooit iets verkeerds deden aan hen die nooit echt leden. Voor een enkel eilandbestuur in de Caraiben waren excuses ook prima, maar of we dan wel even de miljardenschulden die men bij ons had wegens wanbestuur of wat ook, wilden kwijt schelden. Excuses dus, goed bedoeld maar verder uiterst naief. En ook volstrekt afbreuk doende aan de ellende van de arbeiders in ons eigen land een eeuw terug. Of de overheersingen en onderdrukking door vreemde machten die in ons land huishielden en heel wat slachtoffers maakten. Maar daar praat men in Den Haag liever niet over. Te lastig. Net zoals we ook de Molukkers en Papoea’s geen excuses gunden. Nee, als ons blazoen richting de slavernij maar zuiver is. Ook al kost dat tientallen miljarden…. Mocht je het niet met me eens zijn, sorry….ik moest het even kwijt. En nee, ik betaal geen schadevergoedingen…. Ben net die halstarrige ex-zakenpartner en chef. Wie zwijgt stemt niet toe….(Beelden: Prive-collectie)

Sterren…

Hun huwelijk verliep eigenlijk al wat jaren op een keurig net niveau, een tempo passend bij hun doelstellingen. Een eigen huis, kinderen, liefst twee, een hond, auto voor de deur en een goede baan voor hem. Dus werkte hij hard om dat allemaal te bereiken. Waar het ging of kon praatten ze met elkaar over ditjes en datjes en ze zaten vaak samen hand in hand voor de tv. Allemaal volgens de normen die ze zelf hadden gesteld toen ze samen aan deze verbintenis begonnen. Zij werkte in huis, hij was veel onderweg. Had een drukke en leuke baan, goed betaald, en prima collega’s. Op een dag had ze toen hij thuiskwam lekker gekookt. Ze had een fleurig en kort jurkje aan. Hij had net op zijn werk een geweldige deal gesloten maar had daarvoor wel vele uren besteed om zover te komen. Voelde zich best vaak moe. En dan die lange rit terug naar huis… Hoe dan ook, eenmaal aan tafel, de kinderen mochten van haar voor de tv hun bordje leeg eten zei ze ineens: ‘Ik zou best wel eens sterren willen zien’. Hij keek haar aan, toen naar buiten waar de ondergaande zon nog steeds zorgde voor behoorlijk wat daglicht. Hij dacht even na en vroeg toen ‘Hoe bedoel je dat?’ ‘Nou, ik wil ook wel eens sterren zien, net zoals Antoinette, mijn vriendin…’ ‘O ja, nooit geweten dat die daar interesse voor had…’. Ze keek hem met een verbaasd gezicht aan. ‘Je snapt me niet he? Ik wil gewoon echt eens sterren zien’. ‘Nou dan gaan we dat toch regelen’ was zijn wat zakelijke antwoord en hij keek even om naar het tv-programma waar de kinderen zich mee leken te vermaken. Zij ruimde de tafel af. Het leek wel of ze met haar lijf schudde, maar dat was helemaal niks voor haar vond hij. Dus pakte hij de krant en las de laatste nieuwtjes. Ze spraken er niet meer over en hij dacht er niet meer over na. Tot hij op een dag een advertentie zag waarin een aantal artikelen werden aangeprezen voor een uitverkoopprijs. Uiteraard bestelde hij er daar een van. Stevig formaat, fraai van materiaal, met garantie. Nou dat zou haar verrassen. Ze wilde sterren zien, dat ging lukken. Toen ze een paar weken later weer aan tafel zaten en zij weer begon met haar vraag over dat ze sterren wilde zien, stond hij op, liep naar boven en haalde het pakket dat hij via zijn werk had laten komen en mee naar binnen had gesmokkeld. ‘Nou met dit zal dat wel lukken denk ik’ en zette het voor haar neer. Blij en met rode wangen van de opwinding pakte ze het pakket uit. En keek verbijsterd naar de sterrenkijker die hij voor haar had gekocht. Een pracht exemplaar, gemaakt in Duitsland met een fikse lens en stabiele driepoot. Ze hield het ding vast, keek hem aan met een blik die niet veel goeds voorspelde en praatte drie weken niet meer met hem…..

Tempel…

Tempel…

‘Ons lichaam is een tempel en blijft het best intact als we ons houden aan de wetten van Reinheid, Rust, Regelmaat en Regels van den Kerk met de grote K’. Die fysieke tempel was ons volgens die leer door God gegeven om goed voor te zorgen en er zeker geen misbruik van te maken. De Reinheid was daarbij wel een dingetje. Want in onze kinderlijke oren en ogen bestond die vooral uit het dagelijks reinigen van dat wat door het gebruik vervuilde. Zeker als je de dagen van toen deels op straat doorbracht en daar allerlei spelletjes speelde die maakte dat je soms onder de bagger thuiskwam. Maar het betekende natuurlijk ook iets anders. Je diende de lichamelijke lust te bedwingen tot je op een leeftijd was gekomen dat je die in de juiste kanalen mocht leiden. Kanalen die bij de andere sekse weer rein werden gehouden tot dat grote moment. Want het betreden van de tempel bij de ander was een kunst op zich temeer omdat daarbij Gods water over Gods akker diende te vloeien en je dat water vooraf niet mocht verspillen.

Nou dat was indertijd best een dingetje. Daarvoor bestond er die Rust. Met de handen boven de dekens en lakens en natuurlijk weg van die symbolische kraan of gootsteen waar dat water maar uit of in kon vloeien. Rust was ook nodig omdat je de volgende dag soms weer vroeg geacht werd tijd te besteden aan de versteende tempel van de Heer die in ons geval vlakbij om de hoek gezeteld was. En waar al die geboden en verboden om je oren vlogen. Daarbij was Regelmaat natuurlijk een handige aanbeveling. Hoe meer je in dat jargon geloofde hoe sterker je verbonden was met de Regelgeving van de enige ware kerk van Rome. Nou ik kan je verzekeren dat dit allemaal redelijk goed ging tot de persoonlijke kraan soms tot een brandslang werd waarop constant druk stond en het met de Rust al snel gedaan was. Reinheid diende nog slechts een doel, zo snel mogelijk voorbij die op het oog dikke deuren van die tempel elders te komen zodat je wist waarover het allemaal ging in die omfloerste teksten van al die ge- en verboden.

Opvallend was ook dat bij het echte leren van waarover het allemaal ging, ouders in onze tijd geen rol van betekenis speelden en de zwartrokken van de kerk toch vooral meenden dat die reinheid zich beperkte tot bijen die bloemen bevruchtten. Terwijl wij thuis eerder last hadden van wespen dan van bijen. Nee, het betere hand en spantwerk moest je zelf maar uitzoeken allemaal. En dat ging niet in alle gevallen goed. Ik heb heel wat voorbeelden gezien van vrienden uit de straat of zelfs familie waarbij dat Gods water zorgde voor een iets minder gezellig gevolg. Dan moest er getrouwd worden en was het maar de vraag of die verbintenis onder dwang ook tot het gewenste resultaat zou leiden. Tegenwoordig zie ik jongens en meiden die zich eerst eens goed uitleven en met dat water smijten alsof het niks kost. Die na pakweg negen of toen relaties menen toe te zijn aan een echte werk met de ware en waarbij dat water goed kan dienen om een nieuwe generatie op de wereld te zetten. In de hoop dat die zich op andere wijze tot de tempel verhouden als wij dat moesten. Intussen is mijn tempel door de jaren heen altijd keurig onderhouden. Veelal goed voor gezorgd. Tuurlijk moest er wel eens iets gerenoveerd worden, maar de kern is gezond. En ik hoop voor mijn gewaardeerde, lezers, dat dit ook voor jullie geldt. (Beelden: Eigen collectie)

De klaagcultuur…

De klaagcultuur…

Weet je wel dat wij als volk echt over alles klagen?? De regering doet alles fout, de buren zijn lawaaiig, we verdienen te weinig, het is hier te warm of te koud, kortom we zijn zelden tevreden. Althans zo lijkt het als je de al dan niet sociale media of gesprekken om je heen wat volgt. Uit onderzoek binnen de Europese Gemeenschap of zelfs de wereldbevolking blijkt dat in de praktijk toch heel anders te zijn. Dan geven wij ons land en onze samenleving een vrij hoog cijfer en vinden best dat we hier als volk aardig gelukkig zijn en wonen. Tuurlijk er is veel gedram, de criminaliteitscijfers dalen niet maar stijgen, de inflatie en kosten rijzen de pan uit, maar toch wonen of werken we hier naar eigen idee plezierig. Maar er blijken ook beroepsklagers te bestaan. Mensen die om een of andere reden altijd het gevoel houden dat zij er niet voldoende toe doen of dat aan hun persoonlijke (ego)belangen te weinig aandacht wordt besteed.

Sommigen daarvan zijn bijna religieus in het uitdragen van hun boodschap. Denk aan de halve zolen die zich vastplakken aan kunstewerken in musea of gevels van gebouwen waarvan zij vermoeden dat alle kwaad daar achter huist. Vaak klagen ze dan achteraf over de matige kwaliteit van de lijm of over het gedrag van het wettelijk gezag dat via haar overheidsdienaren deze klagers losweekt van hun zelf verkozen protestpositie. Je hebt mensen die naast een vliegveld gaan wonen en dan klagen over de lawaaiige vliegtuigen, of zoals nog wat vaker, zij die menen dat de moderne tijd alleen maar nadelen in zich draagt en je dus over alles wat je niet bevalt mateloos moet gaan zitten miauwen. Vaak mensen met de te veel vrije tijd en te weinig echte hobby’s. Baseer je al dat geklaag op feiten of historie kunnen alle klachten meteen de prullenbak in, maar in ons land nemen we ze nog serieus ook. En als die lui hun zin niet krijgen wenden ze zich tot de rechter die door al dit soort klaagzaken niet toekomt aan het berechten van echte misdadigers. En dan klagen andere mensen weer over de lage straffen of zelfs het heenzenden zonder straf van verdachten.

Een voorbeeld van dit soort mafkezen las ik laatst bij het Amsterdamse AT5 (stadszender) op hun nieuwsite. Ergens in Amsterdam-West woont een man op twee hoog die zich gek ergert aan trams die over een aanpalende brug heen rijden. Die bewuste tramlijn bestaat al van ver voor de oorlog, hij zelf was daar onlangs komen wonen. Die trams doen via hun rails op die bruggen dus gedoeng gedoeng en dat een paar keer per uur. Hij vond het maar niks en maakte het vervoerbedrijf GVB bijna gek met zijn klachten. De trams moesten maar wijken vond hij, want hij wilde rust in de tent. Het GVB bleef netjes en onderbouwde haar afwijzing van die klachten op basis van de feiten. De moderne trams zijn vele stiller dan de vroegere, de brug moet nu eenmaal worden genomen en elke dag maakten duizenden mensen gebruik van dit vervoermiddel op juist deze lijn. De wet van de gemenedeler dus. Nou daar was de klager het niet mee eens. Hij wilde zijn recht en deed aangifte van overlast tegen het trambedrijf. En die aanklacht ging leiden tot een rechtszaak. Ik viel zowat van mijn stoel toen ik het las. Ik ben al wat gewend rond Schiphol van dit soort extremistische types, maar deze was er een uit de Eredivisie. Ik ga volgen hoe dit afloopt uiteraard. Want als je moet toegeven aan minderheden die steeds weer iets nieuws bedenken om over te klagen staat op enig moment dit land gewoon stil. Mooie cijfers over tevredenheid of niet. En daarover wilde ik in dit blogje even klagen….(Beelden: archief)

Totaal vergeten; Standard.

Totaal vergeten; Standard.

De Britse auto-industrie is een inmiddels vrijwel volledig vervaagde pagina in de encyclopedie van de autobranche. Ik liet al wat merken uit die hoek van Europa de revue passeren hier. Een merk dat zeker die aandacht verdient is het best chique Standard dat al vanaf 1903 auto’s bouwde in Coventry. Toen en ook later het middelpunt van de Britse auto-industrie. Standard bouwde voor en na de oorlog gewoon goede auto’s en sommige daarvan vormden zelfs de basis voor de sportwagens die later als Jaguar’s zouden worden gebouwd. Na de oorlog bouwde Standard voort op haar modellen uit de vooroorlogse periode. Net als veel andere fabrikanten dat deden om hun productielijnen weer op niveau te krijgen.

Nadat men een paar jaar echte klassiekers had geproduceerd kwam Standard in 1948 met de opvallende en ruime Vanguard 1. Een auto met een bij de tijd passende ronde rug, een kopklepmotor maar ook verwarming aan boord. En dat was elders zeker niet standaard bij auto’s uit die periode. Door de jaren heen werden de Vanguard’s doorontwikkeld. Er verscheen een echte sedan van, maar ook een stationcar. 2.1 liter benzinemotoren kregen gezelschap van iets grotere diesels en dat was in die tijd ook heel bijzonder. Daarmee liep Standard voor op veel andere Britse merken. De ronde rug verdween vanaf 1953 en deze zgn. Standard II zou men blijven bouwen tot en met 1956. Toen verscheen de derde versie met deze modelnaam. Een totaal andere auto, die weliswaar dezelfde 2.1 liter motor benutte maar veel langer werd, en ook zwaarder. Een vierversnellingsbak was nu ook standaard.

Deze auto werd ooit door Corgi Toys in modelvorm uitgebracht en dat model was ook de eerste Standard (en Corgi) die ik als kind onder ogen kreeg. Elegante wagen met ronde achterlichten. Ik vond hem prachtig. Een afgeleide versie werd door Vignale onder handen genomen en uitgerust met een zescilinder-motor. Met twee carburateurs bleek dit best een sportieve variant. Er tegenover stond de Standard 8 die weliswaar modern was van techniek maar ook relatief onopvallend tussen vergelijkbare wagens van andere Britse merken. Wie koffers wilde meenemen moest dat via de deuren doen want een kofferdeksel werd niet meegeleverd. Ook de van de Vanguard bekende verwarming zat niet in de 8. Pas bij latere bouwjaren werd dat leverbaar gemaakt. Na nog wat doormodderen met varianten op het al jaren gebouwde gamma kwam Standard in handen van British Leyland dat het merk nog even liet voortbestaan maar in 1964 haar dochter een stille dood liet sterven. Er kwamen geen Standards meer uit Coventry. Opvallend is dat de Standards nooit echt geliefde klassiekers zijn geworden. En dat is jammer, want het was best een bijzonder merk. Zoals zoveel uit die periode en het Verenigd Koninkrijk…(Beelden: Yellowbird archief)

Einde van een tijdperk…

Einde van een tijdperk…

Onlangs liep in Amerika de laatste Boeing 747 ‘Jumbojet’ van de productielijn bij die befaamde en grote vliegtuigbouwer. Een vliegtuigtype dat zo belangrijk is geweest voor de ontwikkeling van ons huidige luchtvervoer dat je domweg niet zo maar voorbij kunt gaan aan dit toch wat trieste nieuwsfeit. Ook al ben je niet eens zo’n echte luchtvaart-enthousiast zoals ik zelf al jaren. Die enorme Boeing 747 dankte zijn ontwikkeling in de jaren zestig van de vorige eeuw aan de behoefte van de Amerikaanse luchtmacht voor een strategisch vrachtvliegtuig dat tenminste drie keer zo veel lading kon vervoeren als de op dat moment grootste transportkist in dienst, de Lockheed C141 Starlifter.

Uiteindelijk won Lockheed ook die nieuwe competitie en bouwde haar ontwerp uit tot de gigantische C5A Galaxy. Maar Boeing liet het als verliezende fabrikant niet bij concept-tekeningen alleen. Men bouwde haar eigen ontwerp om tot een passagiersvliegtuig dat eind jaren zestig de afmetingen had van een uit een Science-Fictionfilm afkomstige mastodont. 450 passagiers moesten er in kunnen worden vervoerd naast ook nog eens 25 ton vracht en bagage en de machine moest ook nog in staat zijn over de Atlantische Oceaan te kunnen opereren. Hoewel de luchtvaartmaatschappijen van toen enthousiast waren over het idee moesten ze ook wel even wennen aan een vliegtuig met zoveel stoelen om te vullen.

De eerste uitvoering, de series 100 kwam in 1970 bij Pan American in dienst, KLM volgde kort daarna met de wat zwaardere -200. En vanaf dat moment ging het los. De ene order voor 747’s volgde de andere op. Er kwamen vrachtversies van de machine op de markt die o.a. Bij Seaboard World en Flying Tigers dienst gingen doen, en waarin je 100 ton lading kon vervoeren over de grote oceanen heen. Vliegvelden moeten worden aangepast om de grote machine af te kunnen handelen.

Hoewel men in eerste instantie geen geld verdiende aan die grote vliegtuigen werd dat later anders. Japanse maatschappijen lieten versies bouwen waarin ze 550 passagiers kon vervoeren over kortere afstanden en dat werd regionaal een aardig succes. Door de tarieven te verlagen werd vliegen sterker dan ooit gedemocratiseerd en voor gewone mensen ook eens bereikbaar. Er kwamen in de loop der jaren tevens uitvoeringen voor minder passagiers maar voor nog langere routes zoals de wonderlijke 747SP. Door de jaren heen moderniseerde Boeing het ontwerp uberhaupt constant. De serie 300 had zo een verlengd bovendek, en KLM liet een deel van haar vloot -200’s ombouwen naar juist die grotere uitvoering. Je kon dan op het bovendek extra passagiers vervoeren. De 747-400 verscheen eind jaren tachtig. De cockpit nu deels elektronisch en geschikt gemaakt voor slechts twee vliegers. Dat scheelde weer aardig in de kosten…

Nieuwe motoren, meer lading, andere vleugels. Het succes van de 747 werd hierdoor weer voor decennia verlengd. Ook bij KLM dat met de -400 ruim 25 jaar passagiers vervoerde. Toen concurrent Airbus met de A380 op de markt kwam, een machine die in potentie 1000 passagiers kan vervoeren, reageerde Boeing vrij laat alsnog met de series 800. Een ultiem verlengde uitvoering van het basisconcept met splinternieuwe motoren en prestaties die niet onderdeden voor die van de Airbus. De verkopen vielen echter tegen. Slechts enkele exemplaren werden verkocht aan o.a. Lufthansa en andere bedrijven, de meeste kisten uit deze reeks waren ingericht voor vrachtvervoer. Ook is de nieuwe Air Force One voor de Amerikaanse president straks van deze ultieme serie afgeleid. Maar ellendig genoeg eindigden intussen al splinternieuwe -800’s op de sloop bij gebrek aan afnemers. Boeing staakte daarop de verkoop en in december kwam dus die laatste uit de fabriekshallen. Vele honderden 747’s vliegen nog rond. De meesten als vrachtkist en dat zullen ze nog lang blijven doen. Passagiers zitten nu vaker in tweemotorige vliegtuigen met ongeveer dezelfde capaciteit. Maar het iconische van de 747 missen die toch wat. Vijftig jaar lang een waar icoon binnen de luchtvaart. En bewijs voor het feit dat op dit gebied de Amerikaanse industrie een leidende rol blijft spelen. Voorlopig nog geen afscheid van de 747 dus, maar wel een eerbetoon aan een misschien niet meteen mooi, wel toonaangevend vliegtuigtype… (Beelden: Yellowbird)

Klonen…

Klonen…

Een opvallend nieuwtje in de afgelopen dagen was het feit dat in bepaalde landen een zekere handel is ontstaan rond het klonen van huisdieren. Moppie is naar het hiernamaals maar je kunt hem/haar niet missen en laat hem via wetenschappelijke procedures gewoon voortleven. Het kan, dus doen we het. In China lijkt het al gewoon te zijn onder de rijken der Aarde in dat land. Duizendje of 6 en kat of hond lopen weer zo goed als nieuw rond. Je hoeft zelfs de van naamplaatjes voorziene etensbakjes niet aan te passen. Wij kijken daar in onze westerse en door Woke en Cancel gedomineerde maatschappij wellicht wat vreemd naar, maar wie weet hoe snel dit allemaal op ons af komt, ook hier. Omdat het mogelijk is en sommigen een heel dierbare band hebben met hun huisdieren. Het eindige van het leven niet willen accepteren een van de drijfveren natuurlijk.

De techniek al eerder toegepast in de agrarische sector. Schapen, stieren en wie weet wat nog meer werden door deze kloontechnieken al gemaakt tot exacte kopie-dieren van hun oermoeder of vader. Nou als het daarbij kan waarom niet bij die andere dieren? En o ja, en-passant was er ook nog het nieuws dat we in staat blijken met het dna van dinosauriers en wat verwant materiaal van nu nog bestaande oersoorten nieuw leven te verwekken. Ook al zijn die oerdieren van toen al duizenden eeuwen uitgestorven. Het kan, dus we doen het. Blijft natuurlijk de kans over dat we mensen kunnen of willen klonen. Nou reken maar dat bij dictatoriaal bestuurde landen en systemen echt al gewerkt wordt met die techniek. Wat zou het mooi zijn als je hele legers kon opbouwen van volstrekt gelijke soldaten die wellicht ook nog het zelfde gedrag vertonen. Star Wars in de praktijk op Aarde. En denk niet dat het niet gaat gebeuren.

Zelfs in de Nazi-tijden van 80 jaar geleden werd er al mee ge-experimenteerd al deed men dat toen met volstrekt andere uitgangspunten. Naar verluid zouden er in Zuid-Amerika nog nazaten leven van wat en met wie Doktor Mengele van alles en nog wat had uitgespookt in zijn duistere laboratoria. Vraag blijft of we dit moeten willen natuurlijk. Willen we mensen die ons na aan het hart lagen of liggen klonen? En hoe komen die dan weer terug? Als baby? Of in de vorm van een volwassene die alles weer moet worden bijgebracht wat hem maakte tot wat hij/zij voor geliefden of familie was. Als we in een duistere toekomst zover gaan komen dat we nieuwe mensen op deze wijze gaan reproduceren nemen we wellicht ook afscheid van dat toch uiterst plezierige proces van het maken van nieuw leven op de meer natuurlijke manier. Het kan verkeren. Het is aan de lezer om zelf conclusies te trekken en te bedenken wie of wat het klonen waard zouden zijn. Wellicht dat je dan ontdekt dat je eigen morele grenzen eigenlijk helemaal niet zo hoog zijn opgebouwd om dit niet te willen of te wensen. Want er blijft altijd iets wringen als het gaat om behouden of houden van…Zeg het maar hoe jij er naar kijkt.. Ik ben benieuwd….(beelden: Archief)