
Van de ooit zo grote Britse autoindustrie blijft voor velen vooral een stel topmerken in de herinnering. Rolls-Royce, Bentley, Jaguar, Aston-Martin. Namen die klonken en klinken als een klok. Maar voor 99% van de automobilisten ook in ons land onbereikbaar. Wat wel bereikbaar was voor veel mensen met een relatief klein gezin was de bij diverse Britse fabrieken gebouwde Mini. En dan niet die anno nu onder deze naam verkochte wagens, maar de oervorm die een jaar of 70 geleden werd uitgedacht door de briljante ontwerper Alec Issigonis die eerder met de Morris Minor had laten zien goed te snappen hoe slimme techniek betaalbaar kon worden vertaald in wagens voor een groot publiek.

De Mini was voor velen een positieve schok. Het was een klein en compact concept, passend bij wat indertijd op onze Europese wegen aan vervoermiddelen rondreed maar dan met moderne voorwielaandrijving, rubber ballen als veringsysteem en een kaal maar efficient dashboard. Je had voor vier mensen ruimte aan boord, de kofferbak was beperkt en voor je boodschappen moest je dus de achterbank of een dakrek benutten. De eerste motoren hadden een inhoud van 848cc en lagen dwars voorin. Met een relatief lange pook roerde je zo in vierversnellingsbak. Kind kon de was doen. De Mini was volwassen naast alle dwergauto’s die in die periode voor hetzelfde geld te koop waren en door zijn compacte en lage bouw reed de auto als een skelter.

Wie wat meer geld beschikbaar had kon zelfs een 1000cc motor bestellen waarmee 125km/u bereikbaar werd. De Mini werd gebouwd door Morris, maar ook door Austin. Er kwamen versies van o.a. het het chique Wolseley merk die veel luxueuzer waren uitgerust dan de basisversies. Door de jaren heen werden de Mini’s steeds verbeterd. Maar er kwamen ook stationcarversies van, bestelwagens, men experimenteerde met wat luxere varianten op de basisuitvoeringen zoals de Clubman. Het meest aansprekend werden toch de Coopers die hun bestaan dankten aan experimenten van legende John Cooper die van de Mini een klein racemonstertje maakte dat zomaar 145 en later zelfs 165km/u kon behalen. Het imago van de Mini werd nu zodanig dat ook would-be-rallyrijders het kleine Britse karretje serieus namen en hielpen aan een gretige nieuwe doelgroep kopers. Speciale Coopers wonnen de Rally van Monte Carlo en nog veel meer.

Helaas raakte de Britse auto-industrie door de jaren heen steeds meer in de versukkeling en veranderde men ook de aanduidingen voor de Mini telkens opnieuw. Een opvolger werd geintroduceerd met de naam Mini-Metro maar die zou de oer-Mini nooit echt kunnen vervangen. De laatste uitvoeringen gingen zelfs als Rover Mini de deur uit. De kleine auto is een dikke 45 jaar in productie geweest en het was dat succes dat BMW deed besluiten om na het verdwijnen van Rover richting China (failliet en naam gekocht)om in Engeland het merk Mini opnieuw te doen opleven en uitgerust met Duitse techniek een heel eigen modellijn neer te zetten die nu nog steeds succesvol wordt gebouwd en verkocht. Neemt niet weg dat het klassieke basismodel nog steeds een grote schare enthousiaste bezitters en gebruikers aanspreekt. En dat er op het circuit nog steeds driftig races mee worden gereden. Zelf heb ik met die kleine Mini door de jaren heen wel wat rijervaringen opgedaan en die waren altijd positief. Vandaar ook hier even aandacht voor dit rijdende fenomeen… (Beelden: archief)

















De compacte Tsjech die ik in juli 2015 nieuw kocht bij mijn vrienden van Korterink in Rouveen (wat je ver haalt is lekker..) deed zijn werk door de jaren heen met verve. Maar ook meteen met zeer beperkte dorst. Over 90.000 kilometers gereden in binnen- en buitenland behaalde ik een score van gemiddeld 1:20. En echt, ik rijd er niet bepaald op. Net als zijn zilvergrijze voorganger voelde de ‘Dinky Toy’zoals ik hem wel eens betitelde zich eigenlijk meer thuis op de snelweg of regionale routes dan in de stad. Al was het maar omdat het sportieve maar redelijk harde onderstel verkeersdrempels lastig te nemen vond. Nee, die lange ritten, dat was zijn ding. En ik genoot van de luxe, want de editie die ik indertijd kocht stond daar bol van. Leder en chroom, maar ook de nodige elektronica, het hoorde er allemaal bij of in. Hij werd ook nogal eens het slachtoffer van derden met een hekel aan blauwe auto’s zo leek het wel eens.
Krassen, deurinslagen van grotere auto’s, een aanrijding (ik deed er ook hier verslag van) door iemand die niet kon uitparkeren. Waar zijn voorgangers schadevrij bleven, de blauwe leed. En ik met hem. Toch je spaarcenten op wielen. En ik heb de tik dat ik vind dat je altijd in een nette auto moet rijden. Dus werden al die schadeplekken weer professioneel opgelost. Maar de leeftijd werd wel een dingetje. Vooral als je ook denkt in termen van restwaarde en een aankomende grote servicebeurt. Omdat daarbij de airco ook gevuld moest, best wel een prijzig iets. Dus…. goede raad was in dat geval niet eens zo duur. Maar eens kijken naar iets anders. Liefst iets soortgelijks, al was het maar om de kosten per kilometer. Maar dan wel van het laatste type, met allerlei vernieuwingen zoals Led-licht, regensensor, een fijne airco, cruise-control en de nodige luxe die ik al gewend was in de blauwe.
Zoeken op internet leverde heel wat wagens op die me zouden kunnen overtuigen van hun kunnen, maar dan bevielen me de adressen niet. Bij mijn ‘hofleverancier’, een Skoda-dealer (die ook Suzuki en Toyota voert) in Rouveen stonden een paar erg interessant aanbiedingen. ‘Weet je wat, we gaan er eens kijken en zien welke deal hij kan opbouwen voor me’ was de gedachte toen we onvoorbereid met een vuile blauwe vol boodschappentassen (want je weet nooit wat je nog tegenkomt)richting Rouveen vertrokken. De man die me al drie keer had geholpen aan iets leuks, luisterde naar het wensenpakket en nam me mee naar de auto’s die ook op internet stonden.
Een witte uitvoering en een rode. Beide even oud, heel weinig kilometers op de teller (5.500)en in de fabrieksgarantie. Maar die tornadorode….jeminee, wat een mooie uitvoering. Speciaal dashboard, automatische verlichting, speciale velgen met Conti banden, bedenk het, alles er op en aan. Machtig mooie stoelbekleding. Een proefrit maakte duidelijk dat dit een kanshebber was. En de deal kwam ook naar grote tevredenheid rond. Omdat de auto zo nieuw is, kon hij ook meteen mee als ik dat wilde. Dat was even een schok, want ik had de blauwe normaal helemaal gewassen en gepoetst als nieuw ingeleverd. Nu moest ik hem in deze gebruikte conditie achterlaten. Hielp wel met de emoties, want zelfs ik was erg verknocht geraakt aan die kleine blauwe rakker die me zo trouw en zo vaak naar Duitsland en Belgie had gebracht en zoveel comfort koppelde aan een pittig karakter. Alles overgelegd van de ene in de andere, uiteraard nog iets vergeten, maar detail, de nieuwe op naam en rijden maar. We moesten er zelfs even van bijkomen. Niet alleen vanwege de snelheid van handelen, ook vanwege die kleur. Zilvergrijs toch mijn voorkeur. Rood nooit. Maar ja, ervaringen uit het verleden zijn geen garantie voor negatieve zaken in de toekomst. En waar we de rode lieten zien in de afgelopen periode, hij maakte veel positiefs los. Veel meer dan die keurig nette blauwe. En verdraaid, door die grotere velgen en wat soepeler banden kom ik nu zonder gedoe over 95% van de verkeersdrempels….Ik ben dus aardig in de nopjes….We zullen zien hoe dat over vijf jaar is…(Beelden: Yellowbird archief)
Had ik het vorige zondag over een auto uit de Oekraine die we hier zelden of nooit hebben gezien, dit keer ga ik het met u hebben over een mini-autootje uit Rusland, de Oka. Een auto die vergelijkbaar was met de uit Japan afkomstige Suzuki Alto, Daihatsu Cuore of soortgelijke karretjes. Hier gezien als regionale auto’s met veel ruimte en een relatief groot vermogen, in Rusland in eerste instantie toch aangeduid als invalidenwagens. Dat kwam voort uit het tijdperk waarin ze werden ontwikkeld. Toen was nog sprake van de Sovjet-Unie en binnen dat grote land was een echte auto toch groot en zwaar en kon tegen een stootje. De Oka werd aan het begin van de jaren tachtig ontwikkeld en kwam als opvolger op de markt voor een onaantrekkelijk vehikel dat als S03D bekend stond. De nieuwe Oka kreeg een tweecilinder motor voorin (in feite een halve Lada-motor) en kreeg voorwielaandrijving wat in de Sovjet-Unie een primeur was.
De styling van de Oka was gebaseerd op die van de toenmalige kleine Fiat’s en die eerder genoemde Japanse kei cars, wat zorgde dat het ding er aardig modern uitzag en van binnen ruimte bood aan twee volwassenen met twee kinderen op de achterbank. Grappig genoeg bedachten de ontwerpers van de auto dat ze geen schijn van kans maakten tegenover de concurrentie, maar toen men na afloop van de productie de balans opmaakt bleek dat er een dikke 700.000 Oka’s waren gebouwd en verkocht. Daarbij werd er al in 1989 een elektrische variant uitgedacht die jarenlang de enige in serie gebouwde elektrische auto ter wereld was. Met volle batterijen reed je er anno 1989 al 100km ver mee. De Oka werd uiteindelijk gebouwd in de fabriek van VAZ, dezelfde die ook Lada’s produceerde. Vandaar dat de kleine auto een tijdlang onder dat logo (Lada) werd uitgebracht.
Later werden ze gebouwd op andere plekken in de Sovjet-Unie zoals gebruikelijk in de autofabricage van dat grote land. Ook in Azerbaijan zette men de Oka in elkaar. De Oka werd gebouwd tot 2008 en toen zaten er intussen Chinese tweepitters onder de kap die voldeden aan de Euro2 normen. Afgeleide versies verschenen er ook van. Zoals een Pickupje en een versie met een dichte laadbak achter. De laatste uitvoeringen haalden 125km/u, hadden 33 pk’s beschikbaar en verbruikten een keurige liter benzine op 27 km gereden afstand. Geen wonder dat die kleine dingen best populair waren in het thuisland en aanverwante staten. Mij is niets bekend over eventuele export van Oka’s naar het westen. Gek genoeg kwam ik ze ook nooit tegen in de landen van het vroegere Oostblok. Kennelijk waren daar de eigen fabrikaten veel populairder. Jammer eigenlijk, want die Oka was best een bijzonder ding. Maar intussen zijn we hem helemaal vergeten. Tot ik er tegenaan liep en dacht dat het wel aardig zou zijn om er wat over te schrijven hier. U wilt me wel vergeven…(Beelden: Internet)

