
Met dank aan pionier importeur Ben Pon zette Volkswagen in de net na-oorlogse jaren een bedrijfsauto op de wielen die technisch was afgeleid van de toen pas in productie genomen Kever. Pon zette een soort peperbus op wielen in een schets die hij krabbelde op een sigarendoos en gaf die aan de directie van VW. Hij had net daarvoor een wonderlijk vervoermiddel gezien dat VW benutte om binnen de fabriek onderdelen te brengen van de ene naar de andere kant van de faciliteiten die men bezat. Die ‘Plattenwagen’ was in feite een bodemplaat van een kever met de motor en wielen daarvan maar zonder professionele opbouw. Ben Pon bedacht dat als je er een bestelwagen-carrosserie op zou zetten het ding prima geschikt was voor mkb-ers die in die jaren nog met paard en wagen of wonderlijke driewielers hun spullen vervoerden.

Volkswagen zag er wel wat in en kwam al snel met een prototype voor de T1, Transporter nummer 1. Na wat verfijningen ging die wagen ook in productie en werd een reuze succes. Ook in ons land was de T1 een bekende verschijning. In allerlei vormen en uitvoeringen zag je ze rijden. Een luxe versie werd al snel als Sambabus bekend. Achter de voorstoelen een leuk interieur met een stel banken en via klapdeurtjes in de zijkanten bereikbaar.

In de verhuurwereld een succesvol product. Veel grote gezinnen van toen wilden in het weekend wel eens op stap en dan huurden ze zo’n VW om ermee naar een of ander fraai oord te rijden om daar in de bermen te gaan zitten kijken naar het overige wegverkeer.

Toch was wel duidelijk dat in de tweede helft van de jaren 60 de intussen op jaren gekomen T1 moest worden afgelost. En dus ontwikkelde men de T2. Een auto met een ander uiterlijk al was veel nog hetzelfde. Maar dat was niet de motor die nu 1.5 liter inhoud kreeg, een nieuw soort kachelsysteem mogelijk maakte, de klapdeurtjes opzij maakten plaats voor een handiger schuifdeur, en de neus was volledig anders door de panoramische voorruit. Hoewel de T2 (zoals hij werd aangeduid) een stuk comfortabeler was dan de T1 en beter reed bleven ook wat zaken gelijk. De extreme zijwindgevoeligheid bijvoorbeeld want de hoge opbouw, de motor achterin en lichte besturing maakte wel dat je er bij dagelijks gebruik aardig in moest werken.

Bij belading was het ding weer net even te zwaar op het stuur. Maar, de T2 werd ondanks dat zo mogelijk een nog groter succes dan zijn voorganger. En werd niet alleen in Duitsland vrij lang gebouwd, maar ook in Brazilie en Zuid-Afrika om maar wat plekken te benoemen. Basisversies waren de Transporter, de minibus, Pickup en de chassis/cabine waarop je dan allerlei speciale opbouwen kon monteren. De T2 werd jarenlang verbeterd en gemoderniseerd maar ergens in de jaren zeventig was wel duidelijk dat ook dit succesnummer moest worden opgevolgd. Dat werd de hoekiger T3. Andere opbouw, meer ruimte en comfort, maar nog steeds hetzelfde concept. Een concept dat ontstond door het ondernemerschap en de visie van een Nederlandse importeur die een markt zag die de fabrikant zelf nog niet had ontdekt. Mijn eigen persoonlijke ervaringen met de T2 dateren uit mijn Schipholse jaren, maar zeker ook uit de dealerjaren toen we zo’n ‘bussie’ benutten als servicewagen en ik met dat ding nog eens in 13 ritten verhuisde vanuit Amsterdam naar Almere. Goede herinneringen dus aan die wagens. Wie heeft die ook?? (Beelden: archief)






In die honderd jaar dat KLM nu al bestaat besloot men ook wel eens tot aankoop van vliegtuigen die bij andere maatschappijen niet eens op een vergeten verlanglijstje kwamen te staan. KLM stond daarin dan alleen en had daarvoor indertijd toch allerlei redenen om die beslissingen te nemen. Een daarvan kon zijn dat men nieuwe ontwikkelingen gewoon niet zag als realistisch of haalbaar. Zo was er de in de jaren vijftig van de vorige eeuw opkomende technologie voor straalverkeersvliegtuigen. Die o.a. leidde tot het op de markt brengen van de Franse Sud Aviation Caravelle. Een sierlijk toestel met twee Rolls Royce motoren aan de staart. Geschikt voor korte tot middellange afstanden en meteen goed besteld door heel wat grote maatschappijen van toen. SAS, Swissair, Sabena, Iberia, Alitalia, Finnair en nog een reeks maatschappijen van toen kochten de Caravelle. Maar KLM zag er niks in. Men keek terug naar het debacle met de Britse Comet 1 uit de jaren veertig en geloofde dat deze technologie een jaar of tien later nog steeds in de kinderschoenen stond. Dus keek men naar Amerika. Een voor KLM bekende leverancier, Lockheed, bood naast haar bekende Constellation-reeks die bij KLM goede diensten verrichtten, ook een toestel aan met zgn. turbopropmotoren.
Daarbij kreeg je alsnog straalmotoren, maar dan gecombineerd met propellers ten behoeve van de voortstuwing bij die kisten. De Electra II was in veel opzichten een bijzonder toestel. Het had een wat brede romp, een stompe neus, eigen ingebouwde toegangstrappen, korte vleugels en vier krachtige motoren in de vleugels. Dat waren Allison 501’s van 3.800pk elk. Gaf de Electra een maximum snelheid van 650km/u, een actieradius van 4.500km en hij vloog op een hoogte van 8.650mtr. KLM was onder de indruk van deze prestaties en kocht er 12. Daarbij vond ze zich in gezelschap van maatschappijen in de VS en het Australische Qantas. De Electra was na een lange ontwikkeling waarbij het toestel nog eens opnieuw moest worden onderworpen en aan uitgebreide tests onderworpen na een paar crashes die de twijfels over het ontwerp aanwakkerden, in 1959 klaar voor aflevering. KLM kreeg ze in de vloot en verving er oudere propellertoestellen mee.
Men vloog er relatief gelukkig mee, al verontgelukte er wel een in het Midden-Oosten toen hij tegen een zandduin aanbotste. Men zette de machines zelfs in op de route naar Zuid-Afrika. Waar ze pas later door de DC-8 werden vervangen. Electra’s werden door KLM ook nog wel eens uitgeleend. O.a. aan het toen bestaande Air Ceylon en Martinair. Vanaf begin jaren zeventig werden ze vervangen door de verlengde Douglas DC-9 en vonden de Electra’s snel nieuwe eigenaren. Enkele oorspronkelijke toestellen van KLM vliegen nog steeds in de rondte, al doet men dat dan niet meer met passagiers maar met vracht. Typerend voor de Electra was het suizende geluid van de turboprops. Die kon je overal boven uit horen en dat klonk een stuk beschaafder dan de krijzende jets van de Caravelles waarmee hij concurreerde. Overigens eindigde de slag om de passagiers in die jaren toch in het voordeel van die Franse jet. De Electra kende ook wat evenknieen in de vorm van de Britse Vickers Vanguard en de Russische Ilyushin Il-18. Ook machines met een viertal turboprops en een redelijk prestatievermogen. Van de Electra zijn in ons land geen exemplaren bewaard gebleven.
Later vloog onze Marine Luchtvaart Dienst nog wel met een reeks Orion onderzeebootbestrijdingsvliegtuigen, toestellen die zijn afgeleid van de Electra. Maar ook die zijn doorgeleverd aan de Duitse Marine en uit ons land verdwenen. En zo werd niets van deze fraaie toestellen uit onze industriele geschiedenis bewaard voor het nageslacht. En wie wel eens met zo’n Electra heeft gevlogen moet zich maar eens melden met mooie annecdotes…..Bij voorbaat dank! (Foto’s: KLM/Yelllowbird archief)
Het is echt toeval dat ik op deze zondag de 22e november even aandacht vraag voor een werkpaard dat het bijna 22 jaar vol heeft gehouden in onze huishoudelijke situatie. Een partner die zijn werk zonder morren deed in maar liefst twee achtereenvolgende woonadressen en die het ook nog eens moest zien uit te houden op een paar vestigingsplekken. AEG laat je nooit in de steek, was de slogan toen we indertijd onze loei betrouwbare wasmachine kochten. Een rib uit het lijf maar dan had je maar wat. En zo kwam hij splinternieuw ons huis binnen in 1993 toen de vorige machine van hetzelfde merk het net daarvoor had begeven. We woonden nog in de polder en de nieuwe machine ging richting de badkamer waar alle aansluitingen voor dit soort apparatuur in de poldergemeenschap van toen waren gesitueerd. Hij verhuisde mee terug naar het oude land. Werd aangesloten in de oude keuken. Want in ons ‘nieuwe’ huis zaten die aansluitingen (en afvoer spoelwater) nu eenmaal in die kookomgeving opgenomen. Daar draaide hij zijn diensten trouw tot hij in 2007 plaats moest maken voor de nieuwe keuken die we ons toen veroorloofden en hij een speciaal ingerichte plek kreeg op zolder, niet ver van mijn nieuw verbouwde werkplek annex museum.
Dat zorgde wel eens voor erg veel getril in de vitrines die ik heb staan om wat zaken uit te stallen. De centrifuge van de aloude AEG neigde nog wel tot een imitatie van een helikopter. Op zich inspirerend, maar ik had er soms best wel wat moeite mee. Toch bleef hij daar staan. Nam veel ruimte in, in de jaren negentig bouwde men nog echt omvangrijke machines op dit gebied, tot……. Precies een week geleden begon hij tijdens een was van beddengoed ineens enorm te stinken. Niet dat dit wasgoed nu zo vies was, nee, dit stonk naar elektra. En op enig moment stond hij stil. Muurvast, en de stop voor de zolderetage lag er uit. Foute boel. De aloude waspartner was overleden. Na 22 jaar best netjes. We zochten een waardige opvolger en die hebben we gevonden. Keurig thuis gebracht en geinstalleerd. Zelfde merk, de helft kleiner en een stuk comfortabeler vanwege de niet meer af- maar oplopende leeftijd op de toekomst ingericht.
Eens zien of die machine dat record nog gaat breken. Als hij dat doet en ik dat zelf nog mag meemaken is het merk echt niet stuk te krijgen. Zou dat voor de mens in het algemeen ook gelden? Ik vrees van niet. Maar als wij gaan stinken is die tijd wel in zicht. Gelukkig is dat nu nog niet zo ver. De oude wasmachine ging mee met de leverancier van de nieuwe. Veel gesteun van de mannen die het dode gewicht van twee trappen af moesten torsen vertelde het verhaal. Adieu oude elektrische vriend! Welkom elektronische opvolger!

