Kleur bekennen…

Vraag de gemiddelde Nederlander eens naar zijn idee van hoe hij/zij zelf wordt gezien door anderen en je krijgt al snel het idee dat iedereen opvallend is, kleurrijk en avontuurlijk. In de praktijk van alle dag valt dat zeer mee. De gemiddelde (geboren en getogen) Nederlander is min of meer een grijze muis en houdt vast aan traditionele zaken, aangevuld met nieuwe impulsen vanuit de jeugd van tegenwoordig of toegankelijk gemaakt door moderne massamedia. Als je in de jaren 60/70 zag hoe onze huizen waren ingericht, met name het kleurgebruik was opvallend, weet dat we tegenwoordig met onze bruin/wit/grijze tinten echt op een ander spoor zitten. Niks mis mee, maar Nederlanders blijken nog steeds vooral te gaan voor ‘doe maar gewoon dan doe je al gek genoeg’. Dat is op zich geen reden voor paniek of zo maar duidt wel op weinig avonturenzin.

We werken graag, we genieten van onze vrije tijd, ons gezin, de vrienden, de dieren. We kunnen eindeloos kakelen over politiek, over het voetballen of de prestaties van een of andere plotseling in de belangstelling staande volksheld, maar verder trekken we ons net als slakken terug in onze huisjes. En nu we het daarover hebben, onze huisjes hebben we ook op wielen beschikbaar en dan toch het liefst in een tamelijk zakelijke en opvallende kleur; grijs! 34% van de Nederlandse automobilisten kiest voor die kleur. En daarmee bekennen we meteen mijn stelling. Die Nederlander is geen opvallend menstype. Want de volgende kleur op het voorkeurlijstje is zwart (24%), gevolgd door blauw (15%). Bij de meer opvallende kleuren zien we geel staan met maar 1% van de Nederlanders die dat als voorkeur geeft. Of Beige waar evenveel mensen voor gaan. Blijft toch bijzonder. En juist die mensen zetten zich weer af tegen hen die gaan voor dat grijze gemiddelde. Ze willen opvallen, aandacht, laten zien dat zij zich niets aantrekken van de buitenwacht. Of ze dat dan ook thuis stringent doorvoeren is de vraag. Je moet het niet overdrijven natuurlijk. We blijven Nederlanders tenslotte.

En o ja, als we dan kiezen voor een grijze of zwarte auto is die in bijna 38% van de gevallen van Duitse herkomst. Op afstand gevolgd door Franse liefhebbers met dik 19% en Japan waar 15,5% van de mensen voor gaan. De toch altijd voor levensstijl staande Italianen zijn nog maar bij 2,1% van de Nederlanders in trek. Liefst in opvallend rood wellicht. Wat bij kleurkeuze nu net weer niet meer dan 7% van ons Nederlanders trekt. Kortom, hoeveel selfies je ook maakt, in wezen zijn we gewoon maar gemiddelde mensen met een standaard smaak. En o ja, voor u denkt, die mening gever is dat dan een uitzondering? Nou…ik ga nog steeds voor Tsjechisch (4,2%) en koos de laatste keer voor blauw. Beetje een twijfelgevalletje dus… (Beelden: Yellowbird/Audi/smart/Skoda)

De D van Degelijkheid…

ouder-echtpaar-aem-310807Toen ze met hem verkering kreeg was hij de degelijkheid zelve. Keurig in het pak, suede schoenen, een goede opleiding, aardige baan, nooit wild of ongepast gedrag, maar daar hield ze indertijd wel van. Haar ouders waren ook zo degelijk. Netjes, christelijk, en haar opvoeding had in die zin geen grote verrassingen in zich gehad. Veiligheid bood hij haar, rust, en toen ze eenmaal getrouwd waren bleef hun relatie stabiel en kabbelend. Af en toe las of zag ze wel eens wat waardoor ze dan in de war raakte en verlangen kreeg naar een ander soort leven. Met meer avontuur. Leuk reizen, kabbelen in een warme zee, bloot dansen op een heuvel in India, ach ze had zo vaak verlangd. In plaats daarvan kochten ze een huis, kregen kinderen. Waar ze gek op was overigens. Haar man maakte carriere, kreeg een auto van de zaak. Een degelijke Toyota en voor de vakantie kozen ze voor een caravan waarmee ze elk jaar weer naar het zelfde plekje togen in Frankrijk. Waar net zulke degelijke mensen kwamen als zij zelf waren. Waarmee het trouwens goed toeven was. Maar in haar fantasie wilde ze wel eens naar zo’n nudistencamping die een kilometer of vijftig verderop te vinden was. En zo verliep hun leven tot de kinderen de deur uit gingen. Ze woonden intussen in een degelijke wijk, hadden een meer dan degelijk huis en dito meubels. Geen uitspattingen, geen vreemde dingen. Uitheems koken was er niet bij, hij zou het niet eten wist ze intussen wel. Ze kleedde zich ook degelijk. Nooit frivool, geen aantrekkelijkheid. Het moest passen bij wat hij voor zich zag als ideaal. De opvoeding van de kinderen was ook zo geweest. Ze waren geslaagd, maar vlogen toch uit toen ze de kans hadden. De een naar Denemarken waar hij ging werken voor Lego, de ander naar Zuid-Amerika om daar arme kinderen te helpen. Alleen de jongste dochter hield het dichter bij huis, maar woonde wel samen en was niet getrouwd. Ze spraken er nooit over, maar het paste niet zo goed in hun ideale plaatje. Een degelijk huwelijk dat rust en liefde bood, zonder dat er vonken vanaf vlogen. Zelden voelde ze  nog dat ze ‘echt’ leefde. Het verliep allemaal zoals het hoorde, zoals hij het graag wilde. Half elf in bed, een vluchtige kus en slapen. De volgende dag weer vroeg op, hij moest naar zijn werk. Haar rol was en bleef het huishouden. Soms keek ze in de spiegel en fronste haar wenkbrauwen. Ze was een oude dame aan het worden. De vrouwelijkheid verdween langzaam aan onder een laag van zwart en grijs. Haar lachende ogen waren dof geworden, haar kleding zeer veilig en degelijk. Ze was zijn ideale vrouw, maar ze wist zelf niet meer wie ze eigenlijk was. Maar ze wist wel dat ze heel degelijk was. En dat voelde ze als waardevol. Maar het was ook zwaar. Als lood. Een degelijk materiaal, maar ook zo giftig!