
Volgens de katholieke leer was Sint Martinus een heilige die van hetgeen hij bezat de helft weg gaf aan de armen van toen. Zelfs zijn rijke en ruime Romeinse mantel sneed hij met zijn zwaard in twee delen en gaf een helft aan een bedelaar zonder bescherming tegen de koude. Zelf deed hij het verder met zijn Romeinse tuniek dat als je de meeste beelden uit Asterixboeken mag geloven ook niet meer was dan een wassen neus. Beetje korte rok bestaande uit stroken, afgewerkt met leder en wat metalen beschermplaatjes. Maar hoe dan ook, die leer van alles delen paste wel bij het katholieke onderwijs van de jaren 50/60. Dus toen ik op de GLO met de naam van die heilige binnen de katholieke parochie van toen werd opgenomen, was de leer van barmhartigheid, vlijt, ijver en vooral fanatiek geloven het credo.

Niet dat dit nu meteen door de volle klassen van leerlingen uit die periode werd opgepikt en beleden. De meeste kinderen niet afkomstig uit al te rijke gezinnen. Het hoogst haalbare in die zuidelijke wijken van Amsterdam ontsteeg in die jaren nauwelijks het middenstandniveau. Dus weggeven?? Je nam liever waarvan je vond dat het jou toekwam. Want zoveel was het allemaal niet. De katholieke opleiding was strikt, de regels duidelijk en wie zich niet plooide kon vertrekken of kreeg nog een fysieke aframmeling op de koop toe. Maar wat de katholieke broeders uit die tijd ook echt wel konden was je de exacte vakken bij brengen. 10×10 was echt 100 en niet iets van ‘zoeken we op via Google’. Je wist welke hoofdsteden hoorden bij onze provincies en er werd trots bijgebracht over onze rijke Nederlandse geschiedenis. Het werd pas ingewikkeld als het ging over de reformatie.

Dat stukje geschiedenis lag bij die katholieke broedergemeenschap nog best zwaar op de goed gevulde magen. ‘Met protestanten ging je niet om, dat waren de afvalligen’ en de types die het Heilige land hadden aangevallen en bezet, zo anno 1000 na Christus waren de Barbaarse heidenen. Die termen sloeg ik ook op voor later en ik gebruik ze nog wel eens. Indoctrinatie werkt nu eenmaal zo en dus is er veel af te dingen bij het constant stichten van nieuwe scholen in de sfeer van ‘islam’ of ‘FVD’. Ik weet nog goed hoe dat indertijd ging en dat zal nu met soortgelijke indoctrinatie technieken niet anders zijn. Maar al met al is de herinnering aan die vroegere Sint Martinusschool (aan de Willibrordusstraat/Servaes Noutstraat) in Oud-Zuid niet meteen een negatieve. Integendeel.

De goede ondergrond voor latere brede kennis werd daar gevormd. Was alles dan pais en vree? Nee, zeker niet. Maar ik blijf het jammer vinden dat juist goede scholen ten onder gingen toen het katholicisme plaats moest maken voor atheisme en socialisme in de wijken waar men ooit dominant was. De grote kerk naast ons onderwijshuis verdween, de school werd opgegeven. Later een domein voor krakers en weer later gesloopt. Weinig foto’s van terug te vinden. Zelfs op Schoolbank.nl zijn er nog wel wat verhalen van/over leerlingen maar geen beelden meer uit die tijd. Blijft jammer. Gelukkig hebben we de herinneringen nog…. (Beelden: Internet/archief)






Natuurlijk blijf ik wat ambivalent aankijken tegen het strenge katholieke onderwijs van vroeger. Maar een ding is zeker, grote klassen of niet, het onderwijs dat werd gegeven stond als een huis. Niet alleen wisten we hoe de Nederlandse taal in elkaar stak, we leerden goed rekenen, kregen inzicht in de geschiedenis van ons land, leerden cultuur (h)erkennen, er werd gedaan aan gymnastiek en zwemmen en men wist je ook nog bij te brengen dat de tien geboden er niet waren voor de lol van de kerk maar vooral om je als beter medemens de maatschappij ingestuurd te krijgen. En voor de goede orde, de klassen en scholen puilden ook toen uit. Niet in de laatste plaats omdat de geboortegolf van na de oorlog heel wat (katholieke) gezinnen flink wat nageslacht bezorgde. Maar de inzet van al die leerkrachten van toen, veelal van de degelijke soort met harde handen en een gevoel voor discipline dat er niet om loog. Wie niet wilde horen moest maar voelen. Ik heb er na een incident in de eerste klas waarna mijn stevig gebouwde stiefvader even verhaal ging halen toen ik door zo’n katholieke broeder en paar stevige rode wangen was bezorgd nooit meer last van gehad.

Mijn tante Hannie, jongere zus van mijn moeder, was een noeste en hardwerkende vrouw. Samen met haar in mijn ogen volkomen nutteloze man, mijn aangetrouwde Ome Jan, kreeg ze vier kinderen maar was meteen ook hoofdkostwinster. Ze had een grote mond, was stevig van postuur en daardoor meteen zeer geschikt voor een leidinggevende rol op wat lager niveau. Zoals zij op enig moment voorvrouw was bij een schoonmaakbedrijf dat bedrijfsgebouwen elke dag spic-en-span verzorgde. Zij liep daar dan in een witte jas in de rondte en deelde orders uit, controleerde of het werk wel goed werd gedaan en was bij vlagen meedogenloos voor werknemers die er de kantjes vanaf liepen. Ook thuis had zij de wind eronder, al moet ik zeggen dat ze wel buitengewoon vergevingsgezind was voor haar man die echt nergens voor deugde. En man van dertien ambachten en even veel ongelukken. Niets in zijn leven lukte. Of hij nu als vertegenwoordiger aan de slag ging voor van die automatische olifantjes of ander vee dat werkte op een ingeworpen kwartje, horecazaken trachtte te exploiteren of in auto’s handelde. Altijd eindigde het in narigheid en ellende. Oorzaak, anders dan mijn tante was hij te lui om te werken eigenlijk. Hij had wel altijd hele verhalen waarom het hem niet lukte.
Maar wij wisten aan onze kant van de familie wel beter. In de steun leven was een stukje handiger en minder vermoeiend dan altijd maar zoeken naar een stukje inkomen door hard te werken. Dus deed mijn tante het werk. En hoe! Werken was bij ons in de familie een belangrijk onderdeel van het leven. Met werken verkreeg je een stukje welvaart. Denk maar eens aan een nieuwe tv, of je kon zomaar een week op vakantie. Dat maakte je toch vrolijker in die jaren. En dus werkten wij altijd. Dat deed de hele familie. En soms kwamen die zaken bij elkaar. Zo heb ik nog eens een tijdje, samen met mijn oudere broer, voor mijn tante Hannie gewerkt. In de vakantieperiode, gewoon even wat bijverdienen. Nu was ik niet zo geschikt voor het schoonmaak vak zo bleek al snel. Ik ben nogal ‘vies uitgevallen’ en was beter in het met een poetsmachine omgaan om zo de gangen van die gebouwen glimmend te maken dan om vieze prullenbakken van anderen te legen. Nog erger was het om toiletten schoon te maken. Je weet gewoon niet wat je tegenkomt. Gelukkig duurde het voor mij niet zo lang, andere (bij)banen lonkten. Maar ik leerde mijn tante meteen van haar strenge kanten kennen.
Opvallend was dat haar kinderen iets hadden van de een of de andere ouder. Twee leken sprekend op hun moeder, maar hadden het karakter van pa, de andere twee leken op niemand, maar waren qua inzet en werkinstelling precies hun moeder. Tante Hannie en Ome Jan verschenen nog wel op onze (in het vorige blog benoemde)oorspronkelijke trouwdag, daarna waren ze wat mij betreft buiten beeld verdwenen. Tot ze oud en krakkemikkig geworden af en toe opdoken bij mijn moeder thuis. En we er nog weleens tegen aan liepen. Tante Hannie was een lieve oudere maar ook fysiek vermoeide dame geworden. Niets meer over van haar strenge voorkomen uit de jonge jaren. Voor Ome Jan gold dat die nog steeds niets deed. Het was hem aan te zien. Ze overleden kort na elkaar. En bleken, naar verluid, tot op hoge leeftijd gek op elkaar te zijn gebleven. Het maakt dus niks uit of je hard werkt of niets doet. Daar gaan die persoonlijke emoties aan voorbij…zeker binnen die ouderwetse huwelijken…