
Tijdens mijn jaren in de branches waar binnen ik werkzaam was in het verleden was het altijd leuk om aan het einde van een bijna afgelopen jaar de omzetten en andere zaken op papier te zetten en te constateren of we nu met een goed en slecht jaar van doen hadden gehad. Vaak viel het allemaal aardig mee. Hard werken geeft resultaten en professionals nemen dan graag een glas ter hand en wensen elkaar het allerbeste voor het nieuwe jaar. Dat start met het zgn. ‘balansen’.

Kloppen de aanwezige voorraden i.r.l. met wat door een jaar heen op papier is bijgehouden? Bij goed gestructureerde organisaties blijkt dat vaak prima verzorgd en ben je met een dagje doorwerken daar waar je wilt zijn. Belangrijk voor het jaarverslag. Ook al omdat je op sommige zaken moet (of mag) afschrijven om zo de winst een beetje binnen de grenzen van het redelijke te houden. Maar een ding is ook zeker, op 1 januari staan alle omzettellers gewoon weer op nul. Je mag met een schone lei opnieuw beginnen. Of je nou in de retailhandel of wholesale zit, het principe blijft gelijk. Was je tevreden over het afgelopen jaar, twee minuten na het vuurwerk daalt in dat je weer met nieuwe uitdagingen te maken krijgt en van een blanco blaadje de boel mag heropbouwen.

Nog steeds werk ik op dezelfde wijze in mijn eigen gedoetje. Ik bekijk de liefhebberijen, de aankopen, de verkopen, bezie waar we zoal zijn geweest in dat oude jaar, en plan waar we eventueel nog heen zouden kunnen in het nieuwe. Je moet jezelf gewoon doelen blijven stellen, anders is het snel over en blijven de groeiverslagen van de geraniums op de vensterbank of wat de buurman nu weer voor nieuwe vriendin heeft gevonden. Nu zal het niet iedereen gegeven zijn om dat strakke denken in het leven op te nemen. Je hebt nu eenmaal mieren en krekels, en dat moet of mag ook zo. Maar ik dank wel de vele werkgevers, trainingen, ervaringen uit de praktijk, en de leermeesters die me naast discipline ook logisch nadenken bijbrachten. Het geeft structuur en laat je ook niet in zeven sloten tegelijk lopen. Hoe dan ook, het nieuwe jaar is onderweg, de tellers staan weer op nul en het vorige jaar schrijven we bij in de geschiedenis. Op naar…….. Ja waarheen eigenlijk?? Iemand? (Beelden: archief)



Kleine prijzen, beperkte motorinhoud maar met die ene gepatenteerde bijzonderheid, de Variomatic-aandrijving. Een systeem van schijven en rubberen snaren die heen en weer bewogen naarmate de snelheid werd opgevoerd en met een simpel pookje te bedienen was. Vooruit, neutraal of achteruit. Iedere malloot kon er mee overweg. En precies dat werd voor de kleine DAF de nekkenbreker. Want de auto bleek ideaal voor mensen die niet konden schakelen, vrouwen, mensen op leeftijd en invaliden. Met zijn wat pruttelende 600cc grote tweecilinder was het basistype 600 ook geen snelheidswonder, met 95km/u was de koek wel op. Met latere modellen leek men dit te kunnen oplossen, maar toen was het imago toch al te veel beschadigd. Zichzelf serieus nemende chauffeurs wilden er niet in gezien worden al was de verkoop verder nog best aardig.
Via de 750, Daffodil, 33 kwam men uit bij de 44/46-reeks. En die wagens hadden een ander uiterlijk en de maatvoering was iets ruimhartiger. Een iets grotere motor maakte de DAF 125km/u snel. Een echte stap vooruit maakte DAF met de 55. Maar die had dan ook een van Renault overgenomen viercilinder voorin die de top naar 135km/u bracht. Men hield wel vast aan een verbeterde Variomatic. Met deze wagen deden Rob Slotemaker en Rob Jansen mee aan de grote London-Sydney-rally en kwamen ondanks vele hindernissen als 17e aan de finish. Voor een soortgelijke compacte auto een wereldprestatie. En terwijl de personenwagens het lastig hadden bleef het imago van het merk op truckgebied hoog.
Het marktaandeel was indertijd geweldig en DAF innoveerde heel wat van haar trucks (en afgeleide bussen) op zodanig wijze dat transporteurs er vrolijk van werden en telkens weer nieuwe wagens bestelden. Bij de personenwagens intussen volgde de 66 de 55 op. Onderhuids compleet andere wagen met iets meer vermogen en een totaal nieuwe achteras. Puik rijdende karretje dat in Coupe-vorm zelfs nog sportief oogde en met een optionele 1,3 liter motor van Renault ook nog eens naar de 150km/u kwam. Maar wel prijzig intussen want vergelijkbaar met een Ford Capri 1,3 in de prijslijst. En dat was voor velen toch een totaal andere auto. Ook heel anders was de geplande Daf 77. Die zou naast de 66 op de lijn komen te staan.
Een compacte middenklasser met weer wat meer vermogen maar vooral meer uitstraling. Maar die zouden we nooit meer als DAF op de weg zien komen. Nadat men in Borne een nieuwe fabriek bouwde werd de personenwagendivisie verkocht aan Volvo. En dat bouwde al die leuke DAF’s voortaan onder eigen naam. Zo werd de 77 omgevormd tot de 340 en bleek dat de merknaam Volvo voor veel DAF-rijders magneetwerking had. DAF ging verder met haar trucks. In voor- en tegenspoed. Op enig moment ging men zelfs onder water. Werd weer gered, ging weer onder water en werd weer gered. Men werkte samen met Leyland uit Engeland, met Amerikaanse partners en kwam via die contacten weer op het spoor van het Tsjechische Tatra waar men tegenwoordig motoren levert voor diens nieuwe trucklijn Phoenix. DAF is nog steeds een belangrijke leverancier van zwaar materieel. Haar wortels, en aan die kleine personenwagens houden we gewoon de bijbehorende herinneringen. Gekoesterd in een fraai Eindhovens museum en in clubs van actieve rijders. Een Nederlands merk, best iets om trots op te mogen zijn. (Beelden: Yellowbird archief)