Uitgebromd…

Uitgebromd…

En dit slaat zeker niet op mijn over het algemeen vrij vrolijke natuur of een neiging om op alles en iedereen te brommen of fitten. Nee hoor, heel letterlijk, ik ben uitgebromd. Was ooit wel een jonge maar heel enthousiaste brommerrijder. Immers, fietsen was op zich best aardig maar had ik in mijn jonge jaren voldoende gedaan. Daarbij was de sociale druk in onze vroegere woonstraat zodanig groot dat je wel mee moest met de rest van de leeftijdgenoten. En waar veel lieden van dezelfde leeftijd opgroeiden en de wens tot opvallen ook toen al sterk aanwezig bleek, was de doorgroei van een fiets naar een met een motor aangedreven ‘brommer’ logisch.

Opvallend, bromfiets rijden leerde je van je Pa of een vriendje die deze kunst al onder de knie had gekregen. Mijn eerste brommer, ik was net 16 jaar oud, kreeg ik nog cadeau van mijn leasepa. En die kende zijn Pappenheimers, hij had al twee total-loss fietsen bij mij meegemaakt en mijn vijf jaar oudere broer Rob had ook de nodige brommers aan gort gereden, dus een vijfdehands HMW werd mijn deel. Ik heb er al eens over geschreven in het verre verleden.

Ik leerde er mee op zo’n ding rijden, maar een succes was die vermoeide Duitse brommer niet. Een met hard werken te betalen tweedehands opvolger was een Locomotief met Sachsmotor. Een hele stap vooruit en ik kon met mijn toenmalige verkering(en) uit de voeten. Het was een werkpaard. Zijn opvolger toch meer een opvallend gestylede mini-motor van hetzelfde merk, drie versnellingen, klein stuur, grote tank. Ik heb er heel wat avonturen mee beleefd.

Veel ook in relatie tot de diverse andere hobby’s die het jongmens Meninggever er op na hield. Na nog veel langer sparen en hard werken (ja kom er maar eens om, maar zes dagen per week in het aanschijns van…) bestelde ik mij een splinternieuwe Puch. Met chroom, budyseat, verhoogd stuur en nog zo wat zaken. Toen hij werd afgeleverd regelde overbuurman en vriend Fred dat het uitlaatpotje werd doorgeslagen opdat het Oostenrijkse wonder op wielen de 65km/u aantikte. Dat reed uiterst plezierig.

En bleek ook voor mijn woon/werkverkeer van toen handig. De witte Puch deed wat hij moest doen. Tot mijn toenmalige chef de bureau op Schiphol vond dat ik wel toe was aan een ‘auto van de zaak’. Rijbewijs was intussen behaald (paste in de volgorde..) en dus mocht ik de VW Bus van het bedrijf voortaan meenemen, mits ik buiten kantooruren maar beschikbaar was voor spoedklussen… Dat kantoorwerk op Schiphol ging toen niet over lekker onderuit zitten. De klant had altijd gelijk en ging voor alles. Dus…. Intussen was de Puch alleen nog mijn vervoer in het weekend geworden. Busje bleef dan verplicht voor de deur, Puchje was voor de sociale contacten en sleet verder nog slechts door het poetsen. Op enig moment veranderde mijn sociale status. Een auto was onontbeerlijk en we gingen nu daarvoor aan de spaarslag. De Puch werd verkocht en het geld dat dit opleverde legden we bij die gedroomde nieuwe auto. Maar dat zou nog even duren. Intussen was ik uitgebromd. En zag je ook dat het fenomeen bij anderen steeds meer verdween. Intussen is de wereld veranderd. Men wil scooters, liefst elektrische. Maar die overgebleven brommers van toen, intussen een jaar of 60 oud, gaan voor (heel) veel geld van de hand. Bedenk maar eens dat je voor de prijs van een goede bromfiets van toen nu een aardige tweedehands auto kunt kopen. Het kan verkeren. Dit soort verhalen staan ook mooi beschreven in het boekje ‘Mijn broer die had er ook zo een’ door Jack Botermans en Wim van Grinsven uitgebracht door Terra Lannoo BV isbn nummer 978 90 5897 926 1. Gekocht bij een Kringloopwinkel voor een mooi prijsje. Echt een aanrader voor hen die deze periode hebben meegemaakt. Net als ik. Ik denk er nog wel eens aan terug. Maar verlangen is anders. Wie wel eens in de winters van toen op zo’n ding dwars door de wind een kilometer of 30 lang moest rijden weet dat fysiek afzien bepaald ook aanwezig was. En dat dan zelfs een VW Bus heel veel comfortabeler was, want kachel aan boord. Maar nostalgie moet je koesteren natuurlijk. En ik doe dat…bij deze…. (Beelden: archief)

De Eredivisie qua design – Raymond Loewey.

Als er een competitie zou zijn voor ontwerpers, speelde Raymond Loewy in de Eredivisie daarvan. De man was zo subliem dat hij in ongeveer elke tak van industrie zijn ontwerpen mocht leveren. Zo bedacht hij ooit de beschildering voor de Air Force One, het staatsvliegtuig van de Amerikaanse president. Maar hij bedacht ook ontwerpen voor Coca Cola, het interieur voor het supersone Concorde-vliegtuig, een Gestettner stencilmachine, de Greyhound Scenicruiser bus plus logo, een postzegel voor John F.Kennedy en zo voort. De man werd in Frankrijk geboren in 1893 en kwam uit een Joodse familie. Die familie zelf stamde weer uit Oostenrijk van vaderskant, zijn moeder was Frans. In 1908 won hij al de nodige prijzen voor zijn ontwerpen van modelvliegtuigen. Later vocht hij in de Eerste Wereldoorlog en kreeg het Erekruis voor  zijn moed. In 1919 verhuisde hij naar New York en startte zijn imposante professionele carriere.

Eerst als briljant etaleur bij grote warenhuizen als Macy’s, Sak’s  en Wanamakers. Ook werkte hij als illustrator voor bladen als de Vogue en Harper’s Bazar. Zijn eerste grote opdrachten kreeg hij van de Pennsylvania Railroad waarbij hij locomotieven een dusdanig ander aanzien wist te geven dat dit het beeld van loc’s over de hele wereld zou veranderen. Hij ging zo ver dat hij voor de spoorwegmaatschappij ook stations ging ontwerpen maar tevens interieurs van wagons waarin passagiers zich zeer comfortabel zouden voelen. Maar zijn grootste doorbraak kwam toch toen hij in de jaren dertig ging werken voor het automerk Studebaker. Niet alleen ontwierp hij het later zo bekende logo voor dat merk, maar al snel was zijn hand ook terug te vinden in de door Studebaker gefabriceerde modellen.

Door zijn slimme manier van werken kon hij Studebaker na de Tweede Wereldoorlog qua ontwerpen helpen aan een voorsprong op de andere Amerikaanse merken van tenminste twee jaar. Iconisch waren zijn ontwerpen waarbij de voorkant van de auto vrijwel gelijk was aan de achterkant en de neus een grille had waarin een imitatie-straalmotor dominant te zien was. Natuurlijk zat er onderhuids gewoon de bekende Studebaker-techniek, maar dat maakte de auto niet minder opvallend. Later ontwierp hij voor het merk de lage coupe-achtige Starliner, die door de jaren heen zou uitgroeien tot de latere Golden Hawk.

Ook opvallend was de Avanti. Een auto die in 1963 jonge kopers aan het intussen toch wel noodlijdende merk moest gaan binden. Een dergelijk ontwerp had nog niemand gezien of aangedurfd. Loewy wel. De auto werd deels in keiharde kunststoffen opgebouwd en dat had een succes kunnen zijn als de autowereld intussen niet enorm was veranderd. Studebaker ging onderuit en de Avanti ging een eigen leven leiden. Tot op de dag van vandaag. Want er zijn in de VS nog steeds kopers voor te vinden en kleine bedrijfjes bouwen deze wagens graag met moderne technieken nieuw in beperkte series. Omdat het ontwerp tijdloos is. Loewy werkte intussen voor NASA. Hij ontwierp daar het Skylab ruimtestation, waarbij hij ook lette op het feit dat je als astronaut in zo’n station nog een beetje normaal moest kunnen functioneren. Hij kon zich daarin verplaatsen en maakte een succesvol ontwerp ook al heeft hij zelf nooit de ruimte bezocht. Los van al die technische ontwerpen was Loewy ook altijd bezig met logo’s voor bedrijven, ontwikkelde hij restaurants, ontwierp ovenschotels, huizen, tractoren en zelfs flesjes voor Coca Cola toen dat merk van de oude vormgeving over wilde naar een nieuwe. Vele honderden ontwerpen en patenten staan op zijn naam.

Pas toen hij 80 was stopte hij met werken. En ging in Frankrijk van zijn pensioen genieten. Hij werd uiteindelijk 92 jaar oud en overleed in Monaco. Een erfenis achterlatend die zijn weerga niet kende. Nog steeds gezien als wellicht de grootste industrieel ontwerper ooit. En dat lijkt mij meer dan terecht. En dus gaf ik even aandacht aan de man. Overigens is er jaren geleden ooit in het Stedelijk Museum een overzichtstentoonstelling gehouden over Loewy en zijn werk. Werd toen druk bezocht. Van mij mag dat wel weer gebeuren. Verdient hij. (Beelden: Internet/Wiki)

Brommeren

8)Leo voor SPL - Loco 1 1965 Scan10011Zoals iedere jonge gast in die dagen was het bezit van een ‘brommer’ wel een ultiem verlangen naar zelfstandig vervoer. Op twee wielen, dat wel, maar tot de 16e verjaardag was tweewielig trapwerk voor dit ventje normaal. In de koude januarimaand van het jaar dat ik de wettelijke leeftijd bereikte voor het besturen van een tweewieler met hulpmotor werd door leenpa een tweedehandsje opgepoetst voor de deur geparkeerd. Mijn eerste brommer was een feit. Het apparaat droeg een indertijd bijzondere merknaam. HMW. Dat merk stond voor de Halleiner Motorrad Werke en vond haar oorsprong in het Oostenrijkse plaatsje Hallein. De naam van dat spul was goed, men bouwde al sinds 1955 goede bromfietsen, maar het exemplaar dat mijn deel was, bleek toch wel een heel lange en vermoeiende levensloop te bezitten. Goed, ik leerde er mee rijden, maar ook heel wat kilometertjes lopen……Tijdens langere ritten knalde meerdere malen het luchtfilter uit elkaar en ook de ontsteking liet het onderweg vaak afweten.

HPIM7870_editedStilstand was dan het gevolg. Op de dag dat ik het ding inruilde voor mijn volgende vervoermiddel vloog de oude HMW vrolijk in de brand. Gelukkig was het vlammende euvel snel blusbaar en de schade leek beperkt. De tweede brommer droeg de fraaie naam Locomotief en had een Sachs tweetaktmotortje. Geel/groen gespoten en voorzien van een (wat wankelende) buddyseat. Ik vervoerde er heel wat jonge deernes mee, inclusief mijn latere verloofde. Het was een veel trouwere metgezel dan de HMW. Maar toen er bij een met de familie verbonden brommerwinkelier een zwaarder en soort van gestroomlijnd exemplaar stond van hetzelfde merk, maar dan met een drie-versnellingsblok van het betrouwbare Duitse motormerk Sachs, was de ‘deal’ snel gesloten. De oranje buikschuiver werd mijn derde brommer en ik was daar zeer ‘fier’ mee. Het ding liep als de brandweer, maar had ook wel zijn eigen specifieke kuren. Zo wilde het tandwiel van de derde versnelling nog wel eens loslaten en dan hield je maar twee versnellingen over. Maar je kon dan wel blijven rijden. Maar tweedehands bleef tweedehands en intussen waren de tijden veranderd. Puchs en Kreidlers bepaalden het straatbeeld en zo’n Puch was mijn ultieme droom.

9)Leo op Puch 1967 10014En zo werd er na heel stevig sparen mijnerzijds en daartoe op zaterdag bijwerken, een witte Puch besteld, splinternieuw. Met hoog stuur, uitlaatpotje en veel chroom. Ik heb er al eens eerder een logje aan besteed. Die Puch had weer twee versnellingen, maar wel heel erg lange. Met wat slimmigheden kon de Oostenrijkse schone worden opgevoerd tot een top van 65km/uur en dat was best snel in die dagen. Ik heb er wat kilometertjes mee afgelegd. Alleen of met zijn tweetjes. Van Amsterdam naar Texel, of naar de Hoge Veluwe. Geen probleem voor deze snelle rakker. En toch duurde ook dat tijdperk maar relatief kort, want de Puch moest al snel plaats maken voor de door de ‘baas’ verstrekte Volkswagenbus, die mijn deel werd na het behalen van het autorijbewijs. De Puch werd alleen nog maar in het weekend gepakt en later zelfs toen niet meer. Uiteindelijk verkocht, voor de helft van de nieuwprijs. Is nu een klassieker, net als die Locomotieven. Hoe zou dat zijn voor die allereerste HMW? Is dat nu ook een gezochte bromfiets? Ik heb eigenlijk geen idee…….! Overigens heb ik het zelden zo koud gehad als tijdens mijn ritjes op de diverse brommers naar Schiphol in de winter…….Daar was geen drielaagskleding tegen opgewassen. Maar dit terzijde.