
Ik neem de lezer(es) mee terug naar de zomer van 1972. Vrouwlief en ik gaan samen met een bevriend echtpaar een trip maken naar en door Zuid-Engeland. De reservering vooraf was vrij simpel, je koos bij een reisbureau voor een vlucht vanaf Zestienhoven bij Rotterdam en werd dan opgepikt door de bus die ons al die dagen door het Britse land zou vervoeren, of je stapte al in Brabant op die bus die dan per Hovercraft naar de andere kant van het Kanaal zou reizen om daarna naar dat vliegveld boven Londen door te rijden etc. Als fervente liefhebbers van alles wat vloog kozen wij logischerwijs voor een vlucht met de beloofde Vickers Viscount turboprop die ons ‘snel en comfortabel’ zou overvliegen naar het VK.

Een dag voor vertrek kregen we echter een belletje. De maatschappij van de Viscount was failliet, we werden overgeboekt op een ander toestel van een bekende maatschappij op Rotterdam, British Air Ferries. Kortom, op de vertrekdag keken we met opgewonden spanning naar de majestueuze en wonderlijk gevormde viermotorige Carvair die rokend het platform van de toen nog zo kleine Rotterdamse luchthaven op kwam rijden. Die Carvair was een product van het Britse bedrijf Aviation Traders, dat van een oude Douglas DC-4 via een inventieve verbouwing een efficient vrachttoestel maakte met ruimte voor auto’s aan de voorkant van de romp en dan nog 28 plekken overhield voor passagiers achter de vleugels.

Simpelheid troef en ook op eigen wijze indrukwekkend. De vlucht vanaf Rotterdam verliep prima al vlogen we ergens bij Hoek van Holland nog op schoorsteenhoogte volgens onze professionele waarnemingen (..) en ik zag overal schroeven en popnagels ronddraaien in de vleugels…De vier motoren bromden er vrolijk op los en we hadden prima zicht op de (veer)schepen die de Noordzee overstaken van/naar Engeland. Het vliegveld Southend was relatief snel bereikt en we zetten de landing in. Over een vliegtuigsloperij vol rompen en losse vleugels kwam we aan de grond nadat we op zeer geringe hoogte over een spoorlijn met daarboven hangende stroomdraden heen waren gewipt. Piepend deden de remmen hun werk, en waren we in Engeland. Een vliegavontuur voorlopig even ten einde. De vakantie kon beginnen. Die Carvair was overigens tijdenlang de norm op het gebied van luchtvervoer van auto’s over de Noordzee of het Britse Kanaal. De machines vlogen richting diverse regionale vliegvelden op het Europese vasteland en deden dat trouw en zonder al te veel storingen of problemen. Al is er ooit juist op Rotterdam een tijdens slecht weer neergeklapt met vervelende gevolgen. Maar dat wisten wij toen nog niet. Dat vliegen met auto’s als een soort veerpont is jarenlang belangrijk geweest voor de ontwikkeling van de Britse luchtvaart. Toen massatoerisme maakte dat steeds grotere en snellere veerschepen beschikbaar kwamen en ook de Kanaaltunnel werd geopend was het over en uit met die tak van dienst. De Carvairs en soortgenoten nog een tijdje ingezet als vrachttoestel voor speciale ladingen maar langzaam aan toch de dinosauriers onder de vliegtuigen van een latere generatie. Hoe dan ook, wij reisden er zovele jaren terug mee en bewaren er natuurlijk warme herinneringen aan. En wellicht pik ik er later nog wel eens een op uit mijn reisverleden. (Beelden: archief)


Wie me nu, intussen toch al weer ruim 12 jaar, volgt, weet dat ik wel ‘iets heb met vliegtuigen’. Dat begon ooit lang geleden in de woonomgeving waar ik als kind die oude bromtollen van toen voorbij hoorde en zag komen die in die jaren nog gemeengoed waren. Het Schiphol uit die gekoesterde periode lag nog een kilometer of vijf dichter bij de stad en de start- en landingsbanen hadden aanvliegroutes die nog gewoon over de stad heen leidden. Niets zo mooi als een Super Constellation of DC-7C die dwars over de woonstraat heen stak richting veilig Schiphols beton. En bij die machines wilde wel eens een motor ‘afpikken’ onderweg dus zag je een propeller in vaanstand als dat toestel dreunend overkwam. Het maakte allemaal grote indruk op me. Daarbij bouwde Fokker op Schiphol ook nog straaljagers die uitgebreid werden getest voor ze naar de Luchtmacht gingen en ook dat spul kwam nog wel eens voorbij. Het fascineerde me net zo als de trucks van het autobedrijf aan de overkant van onze woning of de huurauto’s die ze daar voor de deur hadden staan. En ik wilde er alles over weten.
Die vliegtuigen werden indertijd uitgebreid beschreven in bladen als ‘Avia’ of ‘Cockpit’. Dat laatste blad werd vol gepend door Hugo Hooftman, een auteur die ik hier wel eens eerder heb beschreven. Met die bladen kreeg je ook nog wel eens een aardigheidje en een erg leuke attentie was een korting op een rondvlucht boven Amsterdam bij Cockpit. Toen ik 14 jaar oud was kreeg ik zo’n kortingbon en toog op de fiets met mijn toen goede vriend Hans naar Schiphol. We gingen vor het eerst echt vliegen. In een tweemotorige De Havilland Dove van Martin’s Air Charter. Welk een avontuur. De machine gromde en dreunde bij de start, na een korte aanloop waren we los en draaiden we richting stad. En vlogen we over de werkplek van mijn leasepa, de straat waar we woonden, de Dam, en langs het Olympisch Stadion.
Welk een avontuur. Ik schreeuwde tegen Hans wat ik allemaal zag en hij schreeuwde terug wat er aan zijn kant van het vliegtuigje te zien was. Het avontuur was ‘al’ na pakweg 20 minuten voorbij. De kist landde weer op Schiphol. En daarna wist ik het zeker, dit moest ik meer doen. Intussen zijn we heel wat jaren verder. En heb ik veel gevlogen. Veelal met groot plezier, een enkele keer met wat minder als het weer zodanig was dat je toch even minder lol beleefde. Van Piper Cub tot Boeing 747 en alles daar tussen in. Ik hield en houdt er een logboekje over bij en dan is toch leuk te zien waarin ik allemaal de vleugels strekte en genoot van de ervaringen. De bestemmingen, de plekken waar we boven vlogen. De toestellen waarin ik vloog. Als 14-jarig jochie over gedroomd en meer dan waargemaakt. Hoe het Hans is vergaan weet ik niet op dit punt. Maar wellicht vult hij me nog eens aan. En dat alles omdat die vliegtuigen van toen over onze hoofden heen dreunden. Waar nu vooral de Groenlinksers zoveel bezwaren tegen maken. Die missen toch een cultureel gen vrees ik. Want trekschuiten en zeilschepen hebben voor mij wat minder aantrekkingskracht. Maar dat zit natuurlijk in die genen. Je bent er maar mooi mee behept…