
Naadloos passend bij de ook door mij al eerder geplaatste verhalen over de oorlogshandelingen in mei 1940 en hoe onze strijdmacht zich verweerde tegen een Duitse overmacht, is het nu beschreven boekwerk dat ik in februari j.l. vond in Aalsmeer. Het boek ‘Onze vliegers in mei 1940’ beschrijft in detail maar ook zeer leesbaar hoe met name onze luchtmacht het moest opnemen tegen een armada van Duitse vliegtuigen. Bommenwerpers, jachtvliegtuigen en transportmachines van het type Ju-52-3m, ze kwamen in grote aantallen op 10 mei 1940 over de grenzen van ons land heen en begonnen meteen met aanvallen op met name de vliegvelden van onze strijdmacht en natuurlijk Schiphol.

De daar opgestelde Nederlandse toestellen werden deels meteen vernietigd. Maar een ander deel stond verstopt (bijvoorbeeld in het dorp Bergen) en was in staat op te stijgen en relatief gezien heel wat schade aan te richten bij met name die Duitse transportvloot. De Junkers toestellen waren traag, vaak zwaar van de lading aan boord en lastig te verdedigen. Zelfs met de lichte bewapening die de meeste Nederlandse toestellen voerden was veel schade aan te richten en als die Junkers eenmaal waren geland op de vliegvelden bij Den Haag en Rotterdam werden ze in brand geschoten door Fokker D-XXI’s of zelfs oudere C-X tweedekkers. De befaamde G-1 Jachtkruisers waren uiteindelijk meer bedoeld om onze eigen bommenwerpers (Fokker T-V) te beschermen die met heldenmoed aanvallen uitvoerden op Duitse luchtlandingstroepen die zich trachtten in te graven rond genoemde steden.

Maar tegen een overmacht van Luftwaffe vliegtuigen was het lastig om staande te blijven. Het boek geeft daar een goed beeld van. In woord en fotografische illustraties. Heldenverhalen maar ook zeker niet zwijgend over de verliezen die de Nederlandse vliegerij moest accepteren. Tientallen vliegers sneuvelden door deze gevechten. Overigens bleek later dat van de Duitse transportvloot 25% verloren ging door de activiteiten van Nederlandse vliegers en dat deze verliezen zodanig waren dat Hitler zijn plannen voor een verrassingsaanval op Engeland daardoor mede moest uitstellen. En daarvan kwam uiteindelijk gelukkig afstel. Maar dat is een ander verhaal. Het boek oogt als een gebonden fotoalbum maar is keurig uitgevoerd en heeft zelfs als bonus een erg interessante DVD ingesloten waarop de helden van toen nog even hun verhaal doen. Mijn exemplaar is er een uit de tweede druk en die stamt uit 2010. Een ISBN-nummer is niet te vinden wat vermoedelijk inhoudt dat het ooit in exclusief beheer is uitgegeven. Maakt het voor mij nog interessanter. Ik las het in een adem uit. (beelden: Yellowbird bibliotheek)









In de jaren na de Tweede Wereldoorlog lagen de meeste Duitse industriele complexen in puin en moesten met name de autofabrikanten helemaal opnieuw beginnen. Daarnaast waren de vliegtuigbouwers die de hele oorlogsmachinerie van de nazi’s hadden helpen opbouwen, opgezadeld met een probleem. Ze mochten van de toenmalige bezetters geen vliegtuigen meer produceren. Maar hadden nog wel een aardige staf personeel. Gezien de chaos en armoede in die periode besloten veel fabrikanten om zich dan maar te storten op de bouw van vervoermiddelen die zouden kunnen voldoen aan een verwachte vraag in de jaren van de heropbouw. En zo zag je ineens driewielige voertuigen voor mkb-ers op de markt komen als de Goliath en Tempo, maar ook een hele reeks piepkleine personenwagens. Vrijwel steevast uitgerust met een tweetaktblokje van een beperkt vermogen, veelal ontwikkeld vanuit motorfietsmotoren.
Ondanks de nogal kleine buitenafmetingen waren die wagentjes mateloos populair en prestaties deden er vrijwel niet toe. De fabrikanten die wel grote auto’s gingen bouwen als BMW en Mercedes kwamen er al snel achter dat slechts zij die bij de overheid werkten of ergens nog wat zwart geld hadden liggen in staat waren hun wagens af te nemen. De gemiddelde Duitser moest het doen met zo’n dwergauto. Zundapp heetten die, Trojan, Messerschmitt, Heinkel, Goggomobil of Isetta. Als we met onze huidige ogen naar die karretjes kijken moeten we vaak toch wat glimlachen. Hoezo veiligheid? Hoezo uitstootwaarden? Nee, daar deed men in die jaren niet aan. Bij sommige van die wagens was de voorkant van de carrosserie ook meteen de toegangsdeur.
Inclusief meescharnierend stuurwiel. Bij de Messerschmitt Kabinenroller kreeg je een opzij klappende plastic kap, zoals bij een vliegtuig uit die tijd. Soms bood men auto’s aan met bankjes die ruggelings tegen elkaar aan waren geplaatst. Een op het oog ‘echt autootje’ kwam bij Goggomobil vandaan. Dat zag er uit als een normale auto, maar dan te heet gewassen. Het piepkleine motortje hing achterin. Hij was taai en tegenwoordig als klassieker nog gevraagd ook. Het ding bleef van 1954 tot en met 1969 in productie. Directeur Hans Glas was wel zo slim om er een paar varianten op te bouwen, zoals een aardig ogende Coupe die weer een eigen doelgroep bediende.
BMW nam op enig moment de licentierechten op zich van de wonderlijke Italiaanse Isetta en redde daarmee haar eigen voortbestaan. Het kleine ding kwam in 1951 bij de Beierse fabrikant in de verkoop en bleef dat tot en met 1962. Twee mensen konden er in mee, plus een klein koffertje. De toegangsdeur zat ook hier voorin en de aandrijving was even bescheiden als bij de concurrentie. Met 12 pk haalde je net de 85km/u. Maar bedenk maar eens dat hele volksstammen er mee werden bediend. Ook in ons land zag je ze regelmatig rijden. Wagens die mensen kochten om niet afhankelijk te zijn van een bromfiets of scooter. Je zat droog en kwam ook op je vakantiebestemming. Toen het in Duitsland en ook in Nederland steeds beter ging kochten mensen grotere auto’s als de VW Kever, de Opel Olympia of Skoda Octavia. Wagens die stuk voor stuk overtuigden met meer rijcomfort en dynamiek, maar vooral ruimte. De dwergauto’s verdwenen. Enkele exemplaren bleven bewaard, anderen gingen verloren in de loop van de tijd. Maar ik denk dat heel wat mensen er met nostalgische gevoelens naar zullen kijken. Vandaar dit verhaaltje…(Beelden: Internet/Yellowbird)