
Sommigen van jullie, lezers van het eerste uur, herinneren zich wellicht dat in 1960 bij KLM op Schiphol de eeuw van het straalverkeersvliegtuig was aangebroken. Al waren er eerder straalmachines van andere gebruikers geweest, in dat jaar kwam de eerste KLM DC-8 aan. Een wonder der techniek, vier Pratt & Whitney straalmotoren onder de vleugels, in staat om 120 passagiers te vervoeren tussen Amsterdam en New York tegen 8.45u vliegtijd. Pan American, een grootheid in die jaren koos voor de vergelijkbare Boeing 707. Uiterlijk leken die machines wat op elkaar al was het voor de jeugdige spotters zoals ik er een was, simpel om ze uit elkaar te houden. Voor de leek was het een pot nat. Dat gold ten dele ook voor de derde grote jet uit die tijd, de Convair 880/990 serie.

Convair meende dat men in staat moest zijn om een verkeersvliegtuig te ontwikkelen dat weliswaar iets kleiner was dan die genoemde machines van Douglas en Boeing, maar dat haar ontwerp minstens 100km/u sneller dan de rest zou vliegen. Transonische snelheden moest het toestel kunnen bereiken, oftewel bijna die van het geluid waardoor de Convairs met name binnen de VS sneller van de ene naar de andere plek konden komen. Bij het ontwerp speelde miljonair Howard Hughes een grote rol. ‘Zijn’ luchtvaartbedrijf TWA (Trans World Airlines) wilde die snellere jets in dienst nemen maar dat had ook een direct gevolg voor de verdere verkopen. De eerste Convair 880 bleek zeker een snel toestel, maar nam maximaal slechts 80 passagiers mee en de gebruikte motoren, afgeleid van die onder de befaamde Convair B58 bommenwerper, bleken weliswaar krachtig, maar ook buitengewoon dorstig.

Een vliegtuig waarmee je dus niet over de Atlantische Oceaan kon komen. De ontwikkeling van het vliegtuig duurde ook vrij lang en Hughes stelde steeds weer aanvullende eisen. De kosten liepen de pan uit. En hoewel er wat orders binnen kwamen voor de 880 bleef het qua verkochte aantallen een bijzonder toestel, bijna uniek, dat wel heel snel was, maar niet in staat echt te concurreren met de andere grote jongens. Door de machine nog eens stevig te verfijnen, groter te maken, sneller ook, en waar het kon zuiniger, ontwikkelde men de Convair 990. Een van de fraaiste verkeersvliegtuigen ooit gebouwd in dit segment. Slanke romp, andere vleugels met vier stroomgeleiders waarin meteen ook brandstof werd opgeslagen, en meer zitplekken. De machine kende echter nog minder succes dan zijn voorganger. Niet om de gebruikte techniek, maar domweg omdat maatschappijen er niet goed raad mee wisten. Hij was te klein voor transatlantisch gebruik, maar te groot voor korte tot middellange afstanden en op die routes oneconomisch omdat zijn grootste voordeel, snelheid, dan nauwelijks kon worden benut.

In onze streken vloog Swissair er mee (en noemde de 990 ‘Coronado’) maar ook de SAS uit Scandinavie en later Spantax uit Spanje. Garuda Indonesia vloog er mee van Jakarta naar Amsterdam maar wel met de nodige tussenstops. Ook Lebanese Air Transport had 990’s in gebruik die o.a. ook op Schiphol te zien waren. In de VS was American Airlines een eerste afnemer.Toch verdween deze machine heel snel naar het achterland van de luchtvaartgeschiedenis. Een enkel exemplaar nog te zien in musea. Maar verder vergeten. Wat ook Convair zelf deed. Dat bedrijf (nu General Dynamics onderdeel van Lockheed/Martin) bouwde daarna alleen nog maar militaire toestellen. En schreef honderden miljoenen dollars af op het project 880/990. Mooi is niet altijd economisch juist…. (Beelden: Archief Yellowbird)


Het was mijn passie voor vliegtuigen die mij als jong mens deed besluiten een ‘carrière’ bij een grote bankinstelling op te geven en te gaan voor een baan bij een luchtvrachtkantoor op Schiphol. Het werk daar was wel iets heel anders dan wat ik gewend was geweest op dat grote bankkantoor in hartje centrum Amsterdam. Omdat we maar met twee mensen ons bedrijf (met hoofdkantoor in Rotterdam en een groot kantoor met loodsen in Amsterdam) in de luchtvaart vertegenwoordigden moest je ook echt alles zelf doen. Dus na een dagje vrachtbrieven maken en manifesten plus de benodigde paperassen voor de douane hier of elders, moest je dan de dozen of kisten die mee moesten met de bestemde vluchten zelf voorzien van de benodigde stickers en dat spul dan uitklaren en aanbieden bij ofwel het afhandelkantoor van KLM of Aero Ground Services. Je liep of reed daarbij over het platform van Schiphol en dat was in de zomer leuk, in de winter wat minder. Mijn toenmalige chef deed overigens precies het omgekeerde.
Hij was altijd meer een importman geweest en deed nu het werk van een declarant. Maar dat kantoor werd door onze inspanningen uit de klei getrokken en al snel groter en groter. Binnen de kortste keren werd er voor dat importgedeelte een man aangetrokken die de declaraties zou doen, en voor het loodswerk kregen we een ‘vrijmaker’ in dienst. Iemand die goed kon omgaan met de douane en de afhandelaars. Voor de export was er intern niet zoveel belangstelling. Niet dat het niet liep hoor. Het was ook op dat deel van het bedrijf gewoon druk. Dat kwam nu volledig op mijn nek terecht. En dat was soms best zweten. Nu hadden we door actief verkopen al snel een breed klantenbestand. Waaronder een bedrijf in Nijverdal dat dieren verhandelde. Van kanaries tot bruine beren. En die eigenaar daar had weinig op met kantooruren. Als hij bedacht dat er iets vandaag naar een klant moest dan meldde hij dat meestal pas tegen de avond. Dáág thuisdiner. Vanuit Nijverdal kwamen de kisten of dozen met dieren dan (hopelijk op tijd) per Spoorexpresse (jaja toen nam de NS nog vracht mee in haar treinen) aan op het Amsterdamse CS, waar ik het spul dan als export-verantwoordelijke op haalde, voorzag van de voor luchtvracht benodigde labels, en transporteerde naar Schiphol, waar het uitklaringsproces kon plaatsvinden en de tijdige aanlevering bij de KLM. Vaak bestemd voor de Swissairvlucht die heel laat in de avond naar Bazel vertrok. Een andere keer moest het mee met de Japan Air Linesmachine naar Tokio.
Nu had ik wel rijervaring met de bedrijfsauto (een Ford Taunus) maar nog geen rijbewijs. Dus dat vervoer van huis naar CS en tussen CS en Schiphol moest ik dan maar op eigen gelegenheid regelen. In de praktijk hield dat in; op de brommer! Mijn toenmalige chef keek niet zo nauw. Vooral in de winter geen pretje. En hoe ik die diertjes in hun smalle behuizing door de ook toen vaak schrale wind mee wist te nemen is achteraf gezien een veiligheidswonder. Was de missie dan gelukt reed ik op dat zelfde brommertje in de donkerte en koude weer terug naar huis en stapte volkomen verkleumd in bed bij mijn toen nog piepjonge echtgenote die me gelukkig vaak weer wist op te warmen tot meer normaal menselijk niveau. Mijn geklaag over deze wel erg geimproviseerde situatie deed chef Ruud besluiten om niet alleen mijn rijbewijs te laten verzorgen (in 9 lessen behaald via een collega die er als instructeur bij beunde) maar ook een nieuwe VW Bus aan te schaffen die ik daarna mee naar huis kreeg als er weer een dierenzending aan kwam. Het scheelde veel. Al bleef ik er wel op mopperen. Maar ik leerde er echt veel van. Problemen oplossen, hoe groot de uitdaging ook was. Lukte altijd. Nog profijt van. Alleen ga ik daarna niet meer met de Puch naar Schiphol. Toen dat VW Busje mijn vaste vervoer werd, ging die de deur uit. Daar heb ik lang spijt van gehad. Maar ach, je kunt niet alles bewaren. Ben al blij met de herinneringen…