Haarlemmermeer op rails..

Haarlemmermeer op rails..

De huidige afbeelding heeft geen alternatieve tekst. De bestandsnaam is: ybb-425065-de-haarlemmermeerspoorlijnen-voor-img_5861.jpg

Eerder schreef ik al eens over het regionale spoornet dat onze stad een dikke eeuw geleden verbond met allerlei dorpen en kleinere steden die indertijd vrijwel alleen met deze vorm van railvervoer bereikbaar waren. En dat netwerk van treinen en trams zorgde voor een prima ontsluiting van juist die streken die in die periode vanuit de grote stad werden gezien als het platteland. Los van passagiers vervoerde men ook veel goederen. Kolen voor de kassen van Aalsmeer, bloemen vanuit Aalsmeer naar de steden. Voor dat netwerk van verbindingen werden langs de rails stations, halteplaatsen en andere voorzieningen gebouwd.

En wie anno 2026 in de regio rondrijdt kan op sommige plekken nog steeds de restanten van toen bekijken. Oude stations vindt je in Amsterdam (Haarlemmermeerstation) en Aalsmeer. Halteplaatsen of woningen van de stationchefs in de buurt van Uithoorn en Ter Aar. Een verrekte aardig boekje over al die bouwsels vond ik niet zo lang geleden bij de Kringloopwinkel in Hoofddorp. En omdat een van mijn grootouders (ik heb de man nooit gekend door allerlei verwikkelingen van voor mijn tijd) stationschef was in die plaats vond ik het wel passend om dat boekje aan te schaffen en even door te lezen.

De huidige afbeelding heeft geen alternatieve tekst. De bestandsnaam is: ybb-425065-de-haarlemmermeerspoorlijnen-achter-img_5862.jpg

Nou, dat viel me niet tegen. Onder de titel ‘De Haarlemmermeerspoorlijnen in oude ansichtkaarten’ beschrijft auteur A.W.J. de Jonge anno 1982 de geschiedenis van die spoorlijnen die door diverse bedrijven werden geexploiteerd en ruim een eeuw geleden hun start kenden om na 1950 alle passagiersdiensten op te geven ten behoeve van het opkomende busvervoer en het goederenvervoer nog tot 1972 vol te houden. Van Haarlem tot Nieuwersluis, van Amsterdam tot Alphen, een belangrijke vorm van vervoer die tot nu toe dus haar fysieke sporen na heeft gelaten. De gebruikte illustraties afkomstig van oude ansichtkaarten, leuke en soms herkenbare foto’s ook. De uitgave van de Europese Bibliotheek te Zaltbommel werd uitgebracht onder het oude isbn nummer 90-288-1960-6. Mijn bewuste boekje is er een uit de derde druk die in 2001 heeft plaatsgevonden. Ik genoot er van.

Trams van vroeger en nu…

Trams van vroeger en nu…

Als jong mens had ik zoveel interesse voor alles wat van doen had met het vervoer vanuit die jaren dat ik o.a. ook het tramverkeer van toen aardig bestudeerde.

Zo waren er de blauwe trams van de hoofdstedelijke GVB waarmee je voor relatief kleine prijsjes dwars door de stad kon reizen. Overstappen was een fluitje van een cent en je kon er mee tot elke uithoek van de stad komen. Slechts het noordelijke deel van de stad bereikte je uitsluitend per boot, pont en bus. Het railverkeer kwam daar niet. Daarnaast was Amsterdam voorzien van een uitgebreid regionaal tramlijnennet waarvan de blauwe NZH-trams de meest bekende exponent was. Daarmee reisde je bijvoorbeeld vanaf het Spui naar Zandvoort, al dan niet met overstap in Haarlem. Veel van die regionale tramlijnen werden in de jaren waarin ik opgroeide overigens opgevolgd door busverbindingen met een hogere graad van op tijd rijden en dito comfort.

De stedelijke verbindingen bleven gewoon door trams ingevuld. Amsterdam een van de weinige steden in ons land waar men consequent voor dat type railvervoer koos. Elders in het land vond men de bus ‘toch handiger’. In onze buurt reden veelal blauwe spitsneuzen die o.a. op Lijn 3 en 4 opereerden. Voor de wat luxere Stadionbuurt en het chique Zuid koos men voor de relatief nieuwe drieassers met hun gesloten passagiersruimten en comfortabeler inrichting. Lijn 24 en 25 de exponenten daarvan. Na 1956 startte men met de vervanging van ouder materieel via de gelede trams. In Nederland gemaakte wagens met veel meer comfort en wat zwaardere motoren.

De bestuurders nu in een soort cockpit voorin, waarbij het aloude draaiwiel voor bediening van de elektrische aandrijving in eerste instantie was vervangen door een soort sidestick die je naar voren of achteren bewoog naar gelang de behoefte van accelereren en remmen. Een verbeterde versie van die nieuwe tram was de dubbelgelede die een extra tussenstuk kreeg en twee scharnierende onderdelen die met een soort rubber blaasbalg waren afgesloten. Al snel werd dat de standaard tram van het GVB en verdwenen de ‘blauwen’ steeds vaker uit het straatbeeld. Door de jaren heen kwamen er steeds meer tramtypen in gebruik. Er werd een verbinding aangelegd met Amstelveen. Ook daarvoor zette men bij het GVB nieuwe trams in.

Een mengelmoes van typen was het gevolg. De ene tram wat succesvoller dan de andere. Begin deze eeuw kregen we de Combino’s. Prachtige in Duitsland gebouwde trams met een bijna metro-achtige inrichting en uitstraling. Oudere trams verdwenen daarop vaak naar het buitenland. O.a. naar Polen waar ze nog jaren dienst zouden doen. Van de oude blauwen bleef een klein aantal over om door liefhebbers vol liefde rijdend gehouden te worden. Intussen zijn er weer nieuwe trams bijgekomen.

Met prachtig gestroomlijnde neuzen, terwijl men op de Amstelveenlijn wederom aparte trams inzet die tegenwoordig geen last meer hebben van gelijkvloerse kruisingen. Het comfort op hoog niveau, maar helaas geldt dat ook voor de gevraagde tarieven. Het mag kennelijk wat kosten, dat O.V. Opmerkelijk is dat men nu ook de Amstelveenlijn gaat doortrekken naar Uithoorn. Terug naar de tijden van de vroegere stoomtrams die Amsterdam verbonden met omliggende gemeenten.

Efficient, duurzaam en snel. Waarmee ook de typische regionale forens kan kiezen voor een ander vervoermiddel dan de voor de hand liggende auto of fiets. Ook de nieuwe verbinding naar IJburg kreeg een tramverbinding waarbij men twee Combino’s aan elkaar koppelt, waardoor een soort stadstrein ontstaat. Het succes van de tram meteen bewezen. In de stad een groot succes. En zo hoort het ook. Net als toen. En voorbeeld voor vele steden waar men maar blijft vasthouden aan die bussen die toch net even minder efficient zijn. En o ja, Amsterdam kent intussen ook een metronet met maar liefst vier lijnen. Zowel boven- als ondergronds actief. En zo weten we uit eigen ervaring, heel erg praktisch om snel vanuit de buitenwijken of periferie naar het centrum te komen of omgekeerd……. En dat dan gezien vanuit het perspectief van een echte autoliefhebber zoals ik dat ben. Maar daarover schreef ik al vaker…. (beelden: eigen archief/collectie)